Song of Sorrow [2000]
2000 PDFEPUBJuli 1998 – Februari 2000
"Let’s build a shrine for Memory, in remembrance of Fantasy"
1
"De slang en de Phoenix"
Eindelijk is het er dan toch van gekomen dat ik hier voor dit kloteding zit. Te wachten op de verlossing, het einde van vier jaren voorbereiding. Ik zie een bondscoach doen alsof hij Nick Nolte is: cool and collected, relaxed, zich ogenschijnlijk niet bewust van camera’s die hem vanuit diverse posities fixeren, elk vlekje op zijn dure driedelige pak, duidelijk op de Vaderlandse t.v… Terwijl Cruijff zijn commentaar geeft op het aantal buitenlanders in het team en spreekt over de aanpak van de opvolging, ja, geef die jongens een kans… lopen nog steeds tranen van het lachen langzaam over mijn glimlach. Hier heeft heel Nederland dan op zitten wachten; dit moment van drama, dit fantastische gevoel één natie te zijn… In vernedering. Ik druk het kleine rode knopje op de afstandsbediening in en denk aan het genot dat dit soort knopjes geven. Tevreden door het spektakel en het geblaat van Mart Smeets’ analyse, doe ik de deur open. De lucht voelde aan alsof een gigantische rups de hele dag bezig was geweest haar van zijde te maken. Zacht gleed de wind door mijn witte T-shirt met opdrukken van een muziektelevisie-station. De sandalen zorgden voor een hele bijzondere ervaring, ik had in geen jaren meer open schoenen aangehad en nu de wind langs mijn voeten te voelen gaan, deed me enigszins huiveren. De zon was nog niet weggezonken achter de horizon en troonde nog aristocratisch boven het landschap uit. De kleuren waren zacht als alles die avond, roze en donkerder licht rood dat overliep in licht, helder blauw dat doofde in diep, donker nachtblauw. Ik haalde adem en liet de lucht in een lange, rustige zucht weer ontsnappen. Ik voelde me goed, maar een beetje vreemd, ik wist niet waar dat vreemde gevoel vandaan kwam, maar het stoorde me op dat moment niet. In de verte voorbij de weide, boven de bossen vloog sierlijk als geen ander dier een kraanvogel, zijn lange poten uitgestrekt achter zich aan zoevend. Hij had iets in zijn bek, maar het was te ver weg om te kunnen bepalen wat het was.
Het zou niet al te lang meer duren voordat het donker was. Het was immers al laat in september en dat zo’n dag als deze nog kon zo laat, had waarschijnlijk meer te maken met het broeikasteffect in plaats van een romantische, nostalgische goedheid van de stervende zomer.
Zoals ik daar stond in de deuropening van het kleine, doch zeer luxueuze huisje, met om me heen alleen bossen en grasland, voelde ik me even zoals ik me vroeger voelde als ik paddestoelen had gegeten met mijn vrienden. Wat een gevoel van rechtvaardiging. Wat een duidelijkheid schepte dit. Zo hoorde het te zijn en ruw werd ik uit de droom van eenheid en schoonheid gerukt door het elektronische geluid van mijn eerste draagbare telefoon. Uit gewoonte werd ik nerveus. Ik hield niet van telefoneren, ook al was ik er verslaafd aan. Het had te maken met een soort onmacht die je niet kunt overwinnen. Een telefoon kan van alles met je dag doen. Je weet nooit wie je gaat bellen, of wat er gefluisterd wordt met hete, emotionele stemmen. Nee, ik houd niet van telefoons. Ik herinnerde me op dat moment dat ik een keer de hoorn opnam toen de bel rinkelde en ik geen mens maar een machine aan de lijn kreeg. Ik was wel gewend aan antwoordapparaten, maar ik had nog nooit gehoord van een opbelapparaat. Soms moet je niet zo letten op wat je denkt…
"Mooie zonsondergang, hè?"
"Ja, absoluut. Bij jou dus ook?"
"Dit is wel te gek. Shit! Hoe kom je hier aan?"
Ik hoorde het door de telefoon en achter me in de deuropening. Even dacht ik dat er inderdaad opbelmachines bestonden en dat ze zelfs benen hadden tegenwoordig. Maar die gedachte liet ik snel varen toen ik mijn partner in crime met een mobiele telefoon op de drempel zag staan met een grote grijns op zijn gezicht.
"Hey man, ik heb je niet horen aankomen. Hoe ben je hier?"
"Gewoon met de auto. Ik heb de auto op de weg laten staan. De rest ben ik gelopen; toen ik je zag staan had ik zoiets van ‘ik voel een afstand’ als je begrijpt wat ik bedoel."
"Hoe heb je me hier gevonden? Ik dacht dat ik niemand had verteld dat ik hier zou zijn."
"Dat heb je ook niet, maar je hebt dit prachtige huisje niet gevonden toen je aan het wandelen was in het bos en de deur opengebroken, of wel soms?"
"Aha, vandaar, ik had al zo’n vermoeden dat je bij de maatschappij had nagevraagd. Wat heb je gezegd dat ze je het adres hebben gegeven? Ik had ze duidelijk gezegd dat ik niet gestoord wilde worden."
"Ik heb uitgelegd dat we artistieke meningsverschillen hebben onderling en dat we echt een overeenstemming moeten bereiken wil er een nieuw album verschijnen per volgend jaar maart."
"En daar trapten ze in? Ongelofelijk, wat een ratten. Maar hoezo kom je helemaal hierheen? Even geen zin meer in Big City life, ik mag toch hopen dat je je laptop bij je hebt?"
"Nee, niet eens een akoestische gitaar of mondharmonica. Ik wilde je alleen spreken. Er moet echt iets gaan veranderen; mensen vragen steeds naar je. En dat niet alleen… De muziek begint er ook onder te lijden, net als onze samenwerking. Ik zie je bijna nooit meer. Als ik je al weet te vinden, lukt het me soms om je met veel te veel moeite een studio in te krijgen. Ik heb daar geen zin meer in. Ik denk dat het tijd wordt dat je voor jezelf eens uitzoekt wat je wil en waarom je alles en iedereen vermijdt. Als je daar uit bent, bel me dan gauw, want in maart moet er ook echt een nieuw album af zijn en als jij niet meewerkt, want ik kom je dit keer niet halen, wordt het een soloalbum!"
Toen ik hem dat hoorde zeggen besefte ik dat het licht veranderd was en dat er vanuit het oosten door de open deur grote wolkenpartijen stilletjes kwamen aandrijven. De zon was nu wel al ver verdwenen en de bossen in de verte zagen er nu heel wat dreigender uit dan een paar minuten geleden. Met mijn ogen gericht op de horizon en de lucht had ik niet opgemerkt dat mijn vriend me weer alleen had gelaten, hij was weer vertrokken, of… even dacht ik dat ik misschien toch paddestoelen had gegeten en dat ik net een bijzonder sterke hallucinatie had gehad, maar het geluid van een wagen die tot leven werd gewekt deed me beseffen dat ik zo juist even niet meer alleen hier was. Ik dacht erover hem achterna te rennen en met hem mee terug naar de stad te rijden, maar mijn benen reageerden niet en zo bleef ik daar maar kijken naar de dreigende wolken, die langzaam aan meer begonnen te voorspellen dan regen alleen.
De sluiers streken voor de deur neer en het licht kreeg een vuile, geelgroene kleur. De ozon was bijna te proeven na de eerste flitsen en de vetste bass die deze planeet kan bieden. Ik kon me er niet toe brengen de deur te sluiten of van mijn plek te komen. Ik stond als rots in de branding uit te kijken over een zee van mist. Het weiland lag te stomen onder de plotselinge koude douche en ik herinnerde me het rare gevoel dat ik zo juist had gehad. Het werd al iets duidelijker; het had te maken met angst.
Ik wist niet precies waar die angst vandaan kwam, maar ik zal wel een keer erg teleurgesteld zijn, in combinatie met andere traumatische -of minder traumatisch het ligt er maar aan hoe je het bekijkt- ervaringen die ik in het verleden heb moeten verduren en het vertrek van een geliefde. Ik had niet alleen donkere, emotionele redenen voor mijn angst, maar ook glasheldere, rationele analytische gedachten. Zo moeilijk was het niet om een aantal geldige redenen te bedenken waarom je bang bent voor andere mensen. Een ver doorgevoerde paranoia, misschien wat teveel van die paddestoeltjes in je jeugd, jongeman? Nee, pa. Ik vond de meeste mensen niet de moeite waard en voor degenen die ik de moeite waard vond, vond ik mezelf niet genoeg waard. Vreemde trekjes. Ik had ook nooit geleerd samen te wonen met andere mensen, want dat vond ik maar lastig. Vroeger had ik nooit last van ouders omdat ze er bijna nooit waren. Ze hebben daar later misschien erg voor moeten boeten met schuldgevoel, maar dat hebben ze zichzelf aangedaan. Ik was allang blij dat ik vrij spel had. Ik zag ze niet vaak. Deed mijn eigen dingen, weinig verantwoording. Veel tijd doorbrengen met vrienden die hetzelfde hadden of anders, maar ook hun gang gingen met of zonder toestemming of medeweten. En we waren hard voor elkaar. Harder dan de buitenwereld ooit kon zijn. Zo deed het dan ook nooit pijn als het eens misging. Wat een fantasie hadden we… Welk inzicht ons tot zo’n simpele conclusie bracht, weet ik niet, maar klaarblijkelijk begrepen we toch al wel de basis van de menselijke psyche. Steun vinden bij elkaar door elkaar door de stront te sleuren, stront te laten vreten en daarna weer vredig een jointje roken. Onvoorstelbaar. Helemaal fout liep het natuurlijk bij de eerste relaties. Zo’n ongelofelijk scheve verhoudingen, zo’n bezitterigheid. En toch doorgaan, kijken waar het heengaat, vakanties, verraad, pijn, hallucinaties en lamheid, overvloedig enthousiasme en teleurstelling. Hoge verwachtingen, weinig zin. Hoe het later ging met geld en zo, dat was allemaal zo erg nog niet, want je had ten minste nog het gevoel dat je deel uitmaakte van een uitdaging. Een uitdaging die de maatschappij je stelde. Slikken en overleven of stikken, zo jochie jij wilt niet slikken, probeer het maar, toe maar, er zijn anderen, beter dan jij, die het geprobeerd hebben en die faalden, net zoals jij zult falen, arme sloeber.
Dit zou de derde dag worden dat ik op brood zou overleven. Ik had echt geen zin meer in brood, maar de gedachte nu nog naar het dichtstbijzijnde dorp te rijden stond me nog veel meer tegen. Dus knalde ik maar drie eieren kapot boven de pan met bobbelende lapjes kipfilet en verdeelde het doorzichtige slijk door de pan zodat het tenminste zou stollen. Ik had met eieren net zoiets als wat ik met melk had. Hoewel ik melk natuurlijk niet eens mijn strot door krijg. Met moeite kreeg ik de verroeste kraan open en liet het water even stromen zodat het goed koud werd. De bodem wist het al en hield er rekening mee: de winter komt eraan. Het koude water stroomde verkwikkend door mijn keel nadat mijn tanden hun vernietigende werk hadden verricht en het vlees, eieren en brood gereed hadden gemaakt voor assimilatie. Omdat één glas niet voldoende bleek vulde ik het nogmaals onder de kraan en dronk het meteen leeg. Ik vroeg me af of hij kwaad was geweest, daarstraks. Even later stond ik in de deuropening te genieten van het prachtige onweer. De regen werkte hypnotiserend, zo kalmerend. Met een gaap rekte ik me uit en o ja, had ik al verteld dat ik wel eens omga, black-out, als ik me uitrek?
Het water stroomde over de drempel naar binnen en had mijn kleren doorweekt. Ik lag op de vloer en bekeek door mijn vingers die onheilspellende Nijl en Mississippi die mij tegemoet kwamen door de open deur. Ik volgde het water met mijn ogen stroomopwaarts en zag de donkere nacht die nu buiten de dienst had overgenomen. De deur had lang opengestaan, ik had lang op de grond gelegen. Moeizaam kwam ik overeind en bevoelde mijn natte kleren en hoofd alvorens op het lumineuze idee te komen de deur te sluiten. Ik keek naar mijn handen -geen reden om naar mijn handen te kijken- en zag rood. Blijkbaar was ik tegen de deur gevallen en had daarbij mijn hoofd gestoten. Voorzichtig voelde ik met mijn rechterhand waar de plek zat, en links van mijn kruin aan de voorkant vond ik de plek en werd me bewust van de pijnlijke steken die uitwaaierden door mijn hoofd. De kleren, doorweekt, kwamen maar met moeite van mijn lijf. Met een zelfde soort zucht waarmee ik de zon had begroet, zakte ik nu op het bed in elkaar, naakt en trok de dekens over me heen. Morgen moest ik maar even boodschappen gaan doen en Steve bellen dat ik mijn vakantie niet voortijdig zou beëindigen. Met regen en een zonsondergang in mijn hoofd viel ik in slaap………
Het was dan toch eindelijk gelukt. Het album was een groot commercieel succes en eerlijk gezegd was het opzienbarend dat de vaderlandse pers zo’n heisa had gemaakt over het verschijnen ervan. De mediahype resulteerde er namelijk in dat iedereen die de eerste single had gehoord in de weken voor het uitkomen van het album, op de dag van het verschijnen of in de week daarna het album kocht. Zelfs in Engeland stonden we op drie, kregen we te horen. Of we een teeveeoptreden wilden doen voor Top of the popsssss… Ik keek naar Steve en ik kon nu voor het eerst zien wat het met hem deed om te horen dat mensen zijn muziek mooi vonden.
Toen hij zag dat ik naar hem keek, begon hij te lachen en zei dat het, zie je wel, loont om idiote ideeën uit te voeren en schijt te hebben aan de rest. Hij had altijd al makkelijk praten gehad. Niet zo makkelijk als ik vroeger, maar dan had je het ook over ancient history. De pers bleef maar bellen en om de haverklap hing er een of andere eikel aan de telefoon die vroeg of hij een interview mocht doen. We hadden samen besloten dat we daar nog even mee zouden wachten tot de belangrijkste optredens achter de rug waren om het een hint van geheimzinnigheid te geven. De silent types. Maar ik kon mijn bek natuurlijk niet houden toen ik overvallen werd op straat door een cameraploeg van een nationale, commerciële omroep. Ik schreeuwde dat ze die camera moesten duwen waar de zon niet schijnt en
Een onzichtbare vijand viel van me af, worsteling, schreeuwen, ach ja… ik was hier helemaal alleen en de dekens op de vloer gooien was niet het beste idee. De stroom regenwater die gisteravond bezit van mijn vloer had genomen was niet van plan om snel te verdampen en had dat dus ook de afgelopen nacht vertikt. Goh, ik droomde normaal nooit over de band. Of over SBS6. Opeens herinnerde ik me de nachtmerries. Er vormden zich twee beelden op mijn netvlies, waarvan er één maar niet wilde verdwijnen; het beeld van een jonge vrouw voorover gebukt, naakt, in totale verrukking, met haar rechterhand tussen haar benen, de andere hand streelt haar buik en borsten met haar vocht. De glans van het vocht op haar huid doet de rondingen en de textuur van de huid beter uitkomen en het is alsof te zien is dat het vocht rechtstreeks afkomstig is uit haar schede, ook al glimt het op haar borsten en buik. Ik zie haar van voren, haar gezicht half opgeheven, haar ogen dicht, lichaam in het licht. Angstaanjagend mooi.
Het andere beeld bevond zich diep in slaperige gedachten en kostte moeite om te voorschijn te halen. Het was alsof ik op een strand stond, te wachten, te dromen. Het weer zag er niet al te best uit, behalve als je van dat weer houdt, Stevige donderwolken pakten zich boven de horizon samen en dreven langzaam richting kust. Op een paar kilometer afstand van de kust bewoog iets zeer groots. Het was vanaf het strand nog niet herkenbaar, het kon van alles zijn; een walvis, een onderzeeër… Langzaam echter werd duidelijk dat ik de grootte verkeerd had ingeschat. Het object(?) werd steeds groter naarmate het dichterbij kwam. Tot het duidelijk werd. Alles werd duidelijk. Eén golf.
Met een gebaar van overgave nam ik de telefoon van tafel en toetste het nummer om mijn voice-mail af te luisteren. Zoiets noem je gewoonte, routine, regelmaat. Toch bleef de onzekerheid altijd bestaan. Zoals altijd, dus ook nu… ik maakte mijn hoofd vrij van gedachten vlak voor het moment dat ik een vriendelijke, vrouwelijke stem geautomatiseerd hoorde zeggen dat ik drie berichten had. Een dilemma deed zich voor; zou ik ze nu beluisteren, of ging ik eerst naar de winkel om ervoor te zorgen dat ik in ieder geval dit weekend zou overleven, hier in the middle of nowhere?
Ik deed wat ik vaak genoeg had gedaan: ik vluchtte zo snel als ik kon. Gedreven door paniek en gevoel en gedachten, op de hielen gezeten door dilemma’s, bang voor besluit. Ik rende de deur uit en zocht naar de sleuteltjes van mijn auto, mijn trouwe maat, altijd klaar om me weg te voeren van een vervelende situatie, een te intiem gesprek of de aandacht van een mooie vrouw. Twee jaar geleden heb ik hem gekocht, door slimme merchandising kwam er voor het eerst geld binnenstromen en de platenmaatschappij stond erop dat we representatieve auto’s zouden rijden, daarom heb ik toen maar toegegeven aan een oude liefde: ik kocht een zwarte BMW, zo eentje met een hele smalle neus. Ik vond mezelf erg hypocriet, zoiets strookte niet helemaal met onze idealen. Steve ging eigenlijk nog een stap verder, maar ergens kwam ik maar niet onder het gevoel uit dat als Steve het deed, het alleen maar getuigde van stijl; hij koos een Ford Mustang, groen. De BMW startte zachtjes, bijna onhoorbaar liep het ding stationair. Ik schakelde naar de tweede versnelling en trok op. Het dorpje lag op een steenworp afstand en ik was er veel te snel. Ik wilde verder rijden. Het maakte me niet meer uit. Ik besloot de plaatselijke supermarkt aan te doen voor proviand en verder zou ik het wel zien. Er waren genoeg tankstations op dit continent en geld was geen probleem. Ik kocht broodjes, kaas, chocolade, slaatjes, wortels, en veel flessen water. Het meisje achter de kassa, een mooi blond meisje van een jaar of achttien keek me aan met een blik, waarin ik opperste verveling las; ze verheugde zich waarschijnlijk op het telefoontje van haar vriend, vanavond. Als ze zich gedoucht had en gegeten, genieten van de avondzon in de tuin en dan zou de telefoon gaan en zou hij komen en zouden ze samen met hun vrienden genieten van het weekend en hun leeftijd. ‘S nachts zou ze in zijn armen slapen nadat ze lang hadden gevreeën. Ik heb geen bonuskaart en ik wil ook geen koopzegels.
Maar waar moest ik heen? De vraag schoot door me heen als het besef van een eindigende relatie of een sterfgeval in de familie, op het moment dat ik de snelweg bereikte. Ik kon terug naar de stad gaan, terug naar Steve en hem gelijk geven. Maar Steve had tegenwoordig ook andere dingen aan zijn hoofd. Zijn eigen vriendenkring, zijn projecten en zijn relaties. Mijn oude vrienden zou ik kunnen gaan opzoeken, maar ze zouden me niet verwachten en me als een lastpak zien. Welke idioot komt er ook op het idee om rond etenstijd op zaterdagavond langs te komen, onaangekondigd. Nee, het zou niet gaan. Iedereen had een leven tegenwoordig. Iedereen behalve ik.
Ik zette de radio aan en vond Studio Brussel net op het moment dat ze onze laatste single afkondigden. God zij dank. Als ik me nu had horen zingen, had ik waarschijnlijk de BMW uit pure wanhoop tegen de dichtstbijzijnde pilaar geramd. De D.J. vond het fantastisch en zei dat het een grote hit aan het worden was in het clubcircuit. Oh ja?
Even dacht ik erover om naar België te rijden en die clubs eens te gaan bekijken. Misschien waren de Belgische meisjes liever en gewilliger dan de moeilijk toegankelijke, rationele en berekenende Nederlandse dames. Luidkeels brulde ik een nummer mee van de laatste cd van Pulp, dat eveneens een grote hit aan het worden was, in het overduidelijk bruisende clubleven van België, of dan op zijn minst Brussel. Hadden we al eens in Brussel gestaan? Brussel had vroeger wel een zekere betekenis. Ik was er wel eens geweest met mijn eerste vriendinnetje; het paleis van justitie met zijn grote stervormig ornament op de vloer van de entree. Ik zie de foto zo voor me, hoe ze daar stond, haar rugzak om, lief lachend. En later gezeten op een van de grote betonblokken bij de parkeerplaats aan de zijkant. Alle foto’s lagen thuis in de la van het t.v.-kastje. Ze was erg mooi en we waren erg verliefd. Brussel is echter niet zo’n beste plek voor twee zeer verliefde jongmensen. Uiteindelijk vonden we dan toch een park dat niet zo bevolkt was en werden kortstondig in staat gesteld elkaar onbekeken te betasten. Pas in de trein op weg naar huis, verloren we echt onze zelfbeheersing en schokten zo nog een brave, vermoeide Belgische conducteur. De arme man wist niet waar hij moest kijken en vergat ons te vragen naar de kaartjes. Ik moest Ned maar eens bellen en vragen of hij niet een keer kon regelen dat we in Brussel konden staan.
Mijn telefoon lag nog in het huisje! Godverdomme! Ik had drie berichten ik ben niet bereikbaar ik kan niet bellen… Van de eerste schrik bekomen, herstelde de junk zich door er zich van te overtuigen dat tankstations tegenwoordig allemaal voorzien zijn van de modernste consumer electronics, dus ook een telefoon. Esso was de gelukkige maatschappij. Met een rotvaart scheurde ik het parkeerterrein op en piepend kwam het bakbeest tot stilstand. Nu was ik binnen bereik. Ik zou kunnen bellen, maar… wilde ik het ook? Het leek er in ieder geval op dat ik hoognodig gebruik zou moeten maken van een andere accommodatie die het tankstation te bieden had. De deur van het herentoilet was op slot en ik vermoedde dat ik eerst de sleutels zou moeten halen in de zaak, dus liep ik naar binnen en vertelde met een benepen gezicht dat de deur van de W.C. dicht was. De jongen achter de kassa keek me aan alsof ik net mijn maaginhoud had leeggesproeid over zijn blinkende vloer. Uw zult even moeten wachten, meneer , zei de knaap duidend op de rij mensen die wilden betalen. Ze waren me niet opgevallen. Met iets van een paniekerige krampaanval die pas net begonnen was, ging ik aan het tafeltje staan. Ik had moeite met de paar gezichten in de rij, die niet gewoon bezig waren met staren naar hun voeten of in hun beurs, gezichten die mij bekeken en zich waarschijnlijk van alles over mij afvroegen. Misschien herkenden ze me al. Misschien wisten ze dat ze moesten kijken zonder zelf te weten waarom. En ik stond daar mijn stront zo goed mogelijk in mijn darmen te houden. Het verlossende rinkelen van de sleutelbos bracht me terug uit de wereld van de onverklaarbare vlekken op tafels.
Vreemd hoe op een w.c. je leven in focus kan komen, hoe je opeens andere aspecten ziet. Ik begon me af te vragen wat voor invloed ik gehad zou kunnen hebben op de levens van mensen die nu uit het mijne waren verdwenen, sommige voor altijd, al leefden ze wel nog. Ik vroeg me af hoe het zou zijn met mijn eerste vriendinnetje. We waren dan wel erg lang bij elkaar geweest, maar er was al jaren geen contact meer geweest. Ik wist nu helemaal niets meer van haar, of ze een vriend had, getrouwd was, kinderen zelfs? Ik had erg veel van haar gehouden. Misschien was dat wel de reden waarom het fout was gegaan, we waren erg jong en het was allemaal nogal heftig, toen. Na Brussel waren er nog andere landen en vakanties geweest, maar naarmate de jaren verstreken werd de onmogelijkheid van onze liefde pijnlijk duidelijk en duurde het niet lang voor we ieder onze eigen wegen gingen. Zij de academische wereld van Rorschachtests in en ik ach, ja… Zou ze nog wel eens aan Brussel denken of aan die dingen de we samen hebben meegemaakt? Al die fantastische vrijpartijen op rare plekken, het tedere samenzijn, de uren van wanhoop en wachten? Maar het was al zo lang geleden… Plotseling bemerkte ik hoe erg ik het miste iemand te hebben die je kunt vasthouden en knuffelen en kussen en mee vrijen. Ik had iemand nodig om van te houden.
Mijn ogen dwaalde af naar de toiletrolhouder. Het w.c-papier was niet op. Dat zou op zich niet vreemd zijn, maar bij mij kwam het zo vaak voor dat ik me al vaker had bedacht dat ik vervloekt was misschien. Toch had ik nooit een oud vrouwtje aangereden terwijl mijn vrouw me aan het pijpen was, ze had ook niet met haar laatste adem een oude indiaanse vloek over me uitgesproken: Jij zult je leven lang pleepapier tekort komen! Reutel reutel aaarghhh……… en altijd overal, op elke plee gebeurde het ik zit lekker te schijten en, heel vreemd, nooit van tevoren, altijd erna, zie ik pas dat er geen pleepapier meer is.
Papier is toch vreemd. Je kunt je leven af en toe af zien hangen van een vel papier. Doodvonnissen worden op papier geschreven, huwelijken worden op papier gesloten, op papier koop je een huis. Je snuit je neus in papier en je veegt er je reet mee af. Het wordt gemaakt van bomen en/of papierpulp en het heilige woord of dat nu de Koran, de Bijbel of De Wachttoren is, ook die staan op papier. Wordt het niet eens tijd dat we het papier gaan her-evalueren? Misschien moeten we onze filosofieën wel aanpassen, herzien, herschrijven omdat we de plek van het papier nog niet gedefinieerd hebben in onze realiteit? Vanzelfsprekend dat je even een briefje schrijft naar een verre kennis, of je bank een opdracht stuurt. Natuurlijk, digitaal en internet en zo, maar toch Papier reigns supreme, nog steeds en al eeuwen, millennia lang.
Heilig Papier dat in de hemel is,
Uw wil geschiedde, Uw pen kome
Hier op aarde, zowel als in de hemel
Geef ons heden ons dagelijks noteblock
en leidt ons niet naar de laptop
maar verlos ons van Microsoft
zoals wij ook anderen vergeven
Ik wil graag een Athlon II met een kloksnelheid van 1999 mHz met 1024 MB werkgeheugen en….
Open maken!!
Huh?
Open maken!!
Oh, shit…
Ik was dus in slaap gevallen op de plee van het tankstation. Gelukkig had ik wel mijn reet al afgeveegd -met de nieuwste van Ari’s categorieën- en de plee doorgetrokken. Anders was het ontwaken nog ruder geweest.
Mijn excuses aanbiedend aan de pompbediende kwam ik het laat-op-de-dag-je-hebt-nog-tien-minuten-licht-licht inlopen en kneep met mijn ogen. Nu had ik hoofdpijn en honger en voelde ik me vies. De gedachte aan de telefoontjes speelde rond in mijn hoofd als een klein vliegje dat rond een bord met etensresten patrouilleert.
Ik weet niet of het opvalt in mijn teksten of dat het doorklinkt in mijn stem, maar het gevoel alles kwijt te zijn, -alsof het op een bepaald moment afgelopen was, alle ontwikkelingen, de dingen die iets betekenden, de vooruitgang die ik dacht te hebben geboekt in mijn denken over de wereld en de realiteit- maakt me naakt voor allen. Of de woorden dezelfde naaktheid hebben en mijn stem lijkt op de stem van die vriend van de heilige Franciscus, naakt op het altaar voor de menigte, trillend, bevend en vol angst, weet ik ook niet. Toch voelt het iedere keer alsof ik verlamd raak zodra mijn woorden beginnen te vloeien. Alsof alles wat ik zeg achterhaald is, verkeerd, niet op zijn plek en ik ben de enige die niet weet waar het nu echt om gaat. Maar het gaat me om het tarten. Haal die idioot van het podium. Wie heeft hem het recht gegeven te spreken? En het heeft geen zin om achter me of naast me te kijken naar Steve want hij denkt hetzelfde… Hij geniet alleen ervan zijn muziek voor mensen ten gehore te brengen. Ik ben zijn sledehond.
Tegenover het tankstation was een restaurant, aan de andere kant van de snelweg. Een tunnel liep onder de snelweg door, slecht verlicht, niks om omaatjes door te sturen ‘s nachts. Die fascinatie met oma’s en opa’s heb ik nooit begrepen. Ik zag ze nooit. Ik wilde niet en vanwege een ongelofelijke gril van het lot lieten mijn ouders het bij twee keer per jaar. Ze waren erg gesteld op privacy. De trappen die naar de tunnel leidden waren nat van de regen en papiertjes van Snickers en Smiths versierden de naargeestige stenen blokken. Een reling was er wel ooit geweest, maar had waarschijnlijk al lang geleden het onderspit gedolven. De tunnel was donker, nog maar één lamp was in werking. Flikkerend geel TL-licht kwam me tegemoet. Aan het eind van de tunnel was het licht, de tunnelwanden oplichtend in het stroboscopisch falen van de gasbuis. Ik voelde me heel even alsof ik op een groot podium stond, met een mensenmenigte voor me, ik hoor het hypnotisch gejoel van de menigte… Ze willen meer en meer en magie en hoe ga ik ze dat geven? Plotsklaps kwam ik bij positieven door het veel zwaardere gerommel van een vrachtwagen die over me heen reed. Alweer die trapjes.
Het restaurant was open, ik herinnerde mezelf eraan dat ik dat al vanaf de overkant had gezien, omdat ik mezelf wijs aan het maken was dat ik geluk had, het restaurant was open en de geuren die me tegemoet kwamen zodra ik de deur open deed, maakten me zo hongerig dat ik bijna flauwviel.
Het licht in het restaurant was aangenaam gedempt; een hele verademing na de horrorshow van net. Ik besloot me eerst een beetje te fatsoeneren, hoewel ik meteen een afkeer voelde van mijn motieven. Ik wilde me niet hoeven te verantwoorden voor mijn uiterlijk, maar ja, zo was ik nu eenmaal opgevoed. Netjes en fatsoenlijk.
Stomach in, chest out, on your marks, get set, go!
Deze dwaze tekstflard dwaalde door mijn hoofd, terwijl ik mijn gezicht waste in een van de prachtige roze bekkens, met koperen waterhanen en kranen, en spiegels waar je duizelig van werd. Achter je, voor je, op het plafond. Overal spiegels. Behalve, God: betoon haar dank, op de plee. Ik kletterde vrolijk bovenop de kunstvlieg -die dingen vindt je normaal toch alleen in urinoirs?- die ze voor mijn mikplezier in de w.c.-pot hadden geplaatst. Dit keer nam ik me voor niet in slaap te vallen, ook al zou dat next to impossible zijn, staande. Ik wilde net doorspoelen, maar mijn hand stopte halverwege. Bovenop de spoelbak lag een zwarte map. Ik had hem niet gezien. Er lag daar een zwarte leren map ter grootte van een A4-’tje. Waarom had ik ‘m niet gezien? Met een zeker respect, maar tevens met grote gretigheid, nam ik de map van de bak. Doorspoelen leek niet belangrijk en handen wassen al helemaal niet. Het rommelen van mijn maag was ontelbare malen belangrijker.
Ik vond een plaatsje bij het raam, ver weg van alle andere gasten, in de non-smoking area. Verbazingwekkend genoeg kwam er binnen de kortste keren een kelner die mijn bestelling maar al te graag wilde opnemen. Ik bestelde een garnalencocktail met stokbrood. Of ik het hoofdgerecht ook wilde bestellen. Na enig overleg besloot ik de varkenshaas met frietjes te nemen, waarbij natuurlijk het geijkte assorti aan groenten werd geserveerd. En misschien nog iets drinken? Het toetje mocht ik bij gratie van de vriendelijke kelner strakjes bestellen. Ik bestelde een seven-upje met ijs.
Eindelijk werd ik alleen gelaten met mijn vondst. Hoe nieuwsgierig ik was. Ik stelde het nog een momentje uit. Nee, toch maar niet.
De inhoud van de map was niet zo spannend als ik gehoopt had, slechts wit A4-papier met een bijna onleesbaar handschrift, gekrabbeld over meerdere pagina’s. De linkerkant van de map had een flap waar nog enkele papieren inzaten. Maar ik besloot deze even te laten voor wat ze waren en me aan de zware taak te zetten het handschrift te ontcijferen.
Ik vraag me af waar ze aan denkt als ze alleen is, als ze al ooit alleen is. Ze schuwt alleen zijn. En ‘s avonds als ze gaat slapen? Die paar minuten dat je je ogen dicht hebt, voordat je vredig in slaap valt, waar denk je dan aan?
Ik wil zo graag weten of ik bij je ben, ben je alleen?
Met de deur in het slot en de zon boven de horizon, met alle vrienden begroet en gefeest, gelukkig badend in stralend enthousiasme en samen één: uit.
Je trekt je schoenen uit en de veters doen je denken aan hoe je op je fiets stapte. De rechterschoen was niet gestrikt en door dom toeval kwam haar veter tussen de ketting. Haar enkel deed een beetje zeer. Maar ze was niet zielig, ze blonk, ze straalde. De schoenen glijden over de rand van het bed, het hoge bed waar ze inklom, nadat ze haar tanden had gepoetst en de pil had genomen.
Hier kwam de seven-up. De kelner bekeek de zwarte map en mijn gezicht en besloot dat ik blijkbaar belangrijke zaken aan mijn hoofd had. Het moet er serieus hebben uitgezien.
Haar T-shirt rook naar rook en kelder. Het gleed over haar hoofd en bracht haar haren in de war. Als je jezelf zou zien, zou je lachen. Strijk die haren eens glad, zo ben je veel te lief. Haar handen vouwen het truitje in de lengte en ook dat verdwijnt over de rand van het bed. Een welgemikte worp. Het truitje slaapt op stoel vannacht. Eindelijk buigt ze zich voorover en strijkt al haar haar naar voren. Ze opent haar b.h. en vult haar longen met lucht. Je handen glijden over je borsten en strijken zachtjes langs zijkant en onderlangs. Je vingers pauzeren bij je tepels, even krijg je een hongerige, wanhopige blik in je ogen en knijpt. Een zucht verlaat haar lippen en op haar knieën gezeten trekt ze haar rok en onderbroek van haar kont af. Zachtjes zakt ze terug in de dekens en alle kleren verlaten het bed. Een beetje huiverend kruipt ze onder de dekens. Haar handen glijden langs haar gezicht, hals, borsten, buik naar beneden en belanden in haar kroezige schaamhaar. Met je wijsvinger en je ringvinger pak je je lippen vast en glijdt met je middelvinger langs je klit naar binnen en je bent nat. De vinger komt vochtig eruit. Je maakt je tepels ermee nat. Haar andere hand trekt haar vlees naar achteren en een schattig klein, gevoelig orgaan wordt tastbaar. Sneller berijdt ze haar hand tot het bed kraakt en haar mond open gaat om te schreeuwen, maar ze zucht alleen.
Je likt je vinger af. Je dacht aan niemand, je genoot. Haar hoofd op het kussen, een regelmatige ademhaling, maar nog geen slaap. Ze vraagt zich af wat ze wil.
Je ziet twee ogen, een gezicht in je gedachten naar je kijken. Zonder reden, zinloos. Maar vol lieve pijn. Je hebt teveel gedronken. Maar je gaat nooit met iemand mee.
Ze moest morgen weer een aantal mensen bellen. Afspraken maken, contacten onderhouden. Zo’n gezelligheid. Ze rook de geur van haar vagina. Je vind jezelf geil ruiken. Je knijpt in je borsten. Verbazend stevig onder het gewicht van al die blikken. Ogen zijn daarvoor beter. Die willen niet aangeraakt worden. In ieder geval niet met huid.
Ze is vrij. Dat weet ze zeker. De vogels fluiten. Alleen… Haar gedachten kwamen op een hellend vlak. Daar wilde ze niet aan denken. Dat was te moeilijk. Zelfs voor haar, zo rustig, zo vrij, maar dat niet. Ik zie het, meisje. Kom maar, ik wil bij je zijn. Ik zie hoe moeilijk je het hebt, je doet het goed. We hebben een paar ogenblikken, hartslagen, ademteugen. Hier wacht ik een leven op. Hiervoor sterft elke werkelijkheid.
Je slaapt. Waar dacht je aan? Dacht je aan mij? Zie ik je morgen? Bel me…
Geheel en al onder de indruk van de openhartigheid van het stuk, zag ik niet eens dat Neerlands’ visserstrots op een bordje mijn kant opkwam. Heerlijke garnalen met een lekker cocktailsausje op een bedje verse sla. Jam, jam.
Ze wil hem, ze wil hem zo graag. Ze snakt naar hem, ze snakt naar vasthouden, strelen, kussen; hij negeert haar. Tot hij genoeg gedronken heeft en zich niet kan inhouden en haar naar zich toesleurt, voor de gein zijn heupen naar voren gooit, haar weer vergeet. Ze is lijdzaam. Ze wacht af; op een bepaald moment moet hij toch eens dronken genoeg zijn. Een kus stelen…
Ze is dronken. Ik zit erbij en lach, doe mijn best. Zo’n lief meisje, mooi. Zit te wachten op wat aandacht, stiekem verborgen onder een sterk masker, vol humor. Dringender zaken nopen onze tafelgenoot naar de bar en ze vraagt of ik zo graag met haar praat als zij met mij. Wat goed van je, dat je daar een punt achter hebt gezet, da’s beter. Ik vind het niet erg. Ik vind jou ook erg leuk. Ze verdwijnt en verschijnt en we zijn weer compleet. Ik weet niet wat je bedoelt en waarschijnlijk jij zelf ook niet en al helemaal niet dat wat ik denk. Je kunt je lieve glimlach niet verbergen als je hem ziet, zelfs als het je pijn doet.
Ik laat je aan hem over. Ik ga aan de kant. Ik hoop dat hij je aanraakt, je kust, je streelt. Ik weet wat je wilt. Ik ga aan de kant. Maar wat als hij het weer niet doet? Wat als het morgen gewoon weer opnieuw begint. Moet ik de clown blijven spelen, de bittere, van levensvreugde verlaten, McDonaldsclown? Misschien moet je hem maar eens laten staan. Misschien kan ik wel lief voor je zijn. Je vasthouden. Je warmen. Ik kan mijn ogen bijna niet van je af houden. Ik zie je zitten en ik moet mezelf geweld aandoen om je niet in mijn armen te trekken en tegen me aan te houden. Ik wil zo graag. Maar ik snap het. Ik weet wat je wilt. Het is zo duidelijk. Je probeert het te verbergen maar het lukt niet. Je lach is terug, je lieve lach voor hem. De angst in zijn ogen maakt me kwaad.
Dus zet ik thee voor jullie en ga naar huis. Tot morgen.
Ik moet me vergissen ik kan niet zo vriendelijk zijn ik heb niets te eisen maar ik wil ook graag duidelijkheid. Je belde me op, je wilde snel wat afspreken, waarom niet ik zie je overmorgen in de buurt van de rivier. Misschien kunnen we met z’n vieren op vakantie, zou dat niks zijn? Twee tenten en we zien wel wie bij wie slaapt. Ik slaap wel alleen. Ik voel me zo belachelijk. Natuurlijk wil je alleen maar hem. Je doet je best, maar je kan niet onder die vervaalde, dode gezichten uit. Je wordt zelf meegesleurd door ons dode gevoel. Vanavond was je nog mooier dan anders maar dat zal je niet veel helpen. Ik weet wat je wil, denk ik. Het zou niet moeten uitmaken maar jullie zijn nu met z’n tweeën en ik hang ertussen in zij achter hem, jij voor hem. Ik ernaast. Ik wil me wel afzijdig houden, maar daar komt dan ook snel commentaar op. Wij drieën in een auto, in één tent. Jij met hem, met mij ernaast ik dacht het niet. Gewoon gezellig, niet zo zeuren, je stelt je aan. Zullen we haar ook meenemen, zullen we dat doen? Ik heb nog steeds geen telefoonnummer ik zou je wel eens willen bellen, uithoren. Ik kan er op korte termijn toch niets aan doen en ik wil ook niet echt. Tenzij alles in één keer veranderd. Maar dat zal wel niet gebeuren. Wat wil jij van mij? Als je niets wil, laat me dan met rust en zeur niet als ik de grand exit maak. Gezellig is anders, weet je. Ik wil dat hij je krijgt. Ik zou je wel willen maar het is nu eenmaal zo dat anderen voorrang hebben. Dat maakt niet uit, dat maakt me nederig. Het is niet van harte, nee, maar heb jij al eens in de spiegel gekeken vandaag? Jij bent mooi…
Ik heb het idee dat jij en jij bijna verplicht moeten kiezen, maak een keuze alsjeblieft.
Hij kiest voor je, niet voor jou. Nee, maar dat maakt niet uit je zult zien. Er zijn betere dan dat wat je achterlaat. Je bent veel mooier dan je denkt en hem vergeet je wel. Zie hoe zij het doet ze weet wel wie ze moet kiezen. Ik heb je tot een keuze gedwongen, maar het klimaat is er hier ook zo gunstig voor, vind je niet. Met een beetje moeite kun je je toch wel voorstellen waarom ze xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx hem kiest? Hij is direct. Weet wat ‘ie wil… Ach of ik het erg vind, wat heet erg. Ik heb wel andere dingen voor mijn kiezen gehad. Ik kan me nu weer afsluiten van alles en iedereen en vergeten dat ik het hier zo leuk vond. Ik lieg natuurlijk, maar het is op z’n minst verslavend. Dus als ik afstandelijk doe, dan weet je dat ik jullie eigenlijk alleen maar ruimte beschikbaar stel. Ik wil niemand in de weg staan, of lastig vallen. Ik heb alweer meegemaakt hoe dat ook alweer voelt als je ten onrechte denkt dingen te kunnen opeisen of te claimen. Je moet altijd uitkijken met wat je denkt, want als je erachter komt… Je moet proberen die werkelijkheid heel te houden, dat is makkelijker en aangenamer. Ik heb irrationele angsten, ik wil geen beslag leggen op wat voor iemand anders bedoeld is. De lucht die ik adem, het brood dat ik eet, mijn woorden in een conversatie, mijn blikken naar jou. Maar je bent mooi en ik zou je willen laten voelen, hoe ik je zou liefkozen, maar het lijkt me beter jullie met rust te laten. Ik geloof niet dat ik nog iets van dat killerinstinct over heb. Behalve bij spinnen. Vooral grote. Eerst doodtrappen of slaan en dan verbranden. Weet je, de geur van een spin die verbrandt waarschuwt de andere spinnen niet te spotten met die bepaalde mens. Het schrikt ze af. Klinkt dat aannemelijk? Of is het aannemelijker dat ik je zou laten klaarkomen en klaarkomen en klaarkomen?
De muggen echter denken bij dezelfde geur dat hun heerschappij is aangebroken. Ze komen in zwermen op de geur af om het lijk van de spin te bespotten en daarmee alle andere spinnen. Ze worden tien keer zo bloeddorstig en er zijn gevallen bekend van families waarbij een pasgeboren baby het moest bekopen met zijn leven. Zo zit aan alles twee of meer kanten. Zo ook in het denken en alle andere realiteitbeschrijvende activiteiten of gevoelens.
Ik wil met je vrijen, je ontmaagden, zachtjes, lief en heet. Je klitje likken met het puntje van mijn tong en mijn pik tussen je billen, mijn tanden op je tepels, mijn handen over je ogen, je lippen op de mijne. Zachtjes ssh… Voel je me? Ik zit helemaal in je. Ik strek me uit in jou. Ik kan je helemaal opvullen. Dit vind je lekker zie ik… Wacht maar af… Ik ben nog lang niet met je klaar, ja kom maar, goed zo, zo kom je klaar met een pik in je, lekker hè? Je lacht en laat een scheet. Ik moet je harder neuken, zeg je. Wie ben ik om tegen de wensen van een mooi meisje in te gaan?
xxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Meisjes zeggen ze hebben een speciale band met hun vader.
Ik zou graag je vader zijn.
Ik wil dat je weet dat ik me m’n hele leven lang in een vreemde positie ten opzichte van vaders heb bevonden. Ik had altijd pech met vaders, met m’n eigen vader het minst, maar dat had ook z’n redenen. Het heeft lang geduurd voordat ik de beslissing maakte dat ik zelf maar vader moest worden. Daarom lieve dochter, dit is voor jou. Ik ben nu ik dit schrijf voor het eerst in een lange tijd nuchter én helder en geloof me die twee gaan niet noodzakelijk samen. Het is vreemd te beseffen dat jij leeft, onafhankelijk van mij. Toen je pas geboren was, had ik dat gevoel ook, maar langzaamaan wende ik aan je en was het normaal, vanzelfsprekend dat jij bestond, maar nu, nu ik dicht bij de rand ben en reflecteer, zie ik dingen die me verbazen, die me bij mijn keel grijpen. Ik weet dat ik een goede vader voor je ben geweest en ik weet dat je van me houdt, maar ik wilde het je ook graag zelf vertellen, ik bedoel hoe het komt. Vaders zijn niet van nature goed; de meeste niet. Zijn jaloers en controlerend en verwachten teveel. Ik liet je vriendjes met rust en je mocht van ons doen wat je wilde, hoewel ik niet thuis kon blijven toen je je eerste vriendje mee naar boven nam met die blik in je ogen. Je bent mooi, maar dat weet je ook wel. Je vond het vast niet erg. Ik kan me niet voorstellen dat je daar je pa bij wilt hebben. Het doet me plezier dat je van sex kunt genieten en zo stevig in je schoenen staat.
Daarin lijk je op je moeder.
Liefje, ik weet niet hoelang ik nog in staat zal zijn mijn gedachten erbij te houden, maar ik wil dat je weet dat ik van je hou en ik hoop dat je me vergeeft dat ik weer iets NIET AFMAAK en mijn falen…
Ik hou van je, pa
Gelegenheid maakt dieven.
Het verleden is gemeenschappelijk bezit.
De gedachte verblindt ons allen,
We zullen blijven
Hangen als een woord aan de lippen van een groot
man
-want vrouwenlippen zijn
gevaarlijk-
Elke stoot is toekomst
Het verleden laat zich tellen
Momenten volgen elkaar op en overlappen.
Ervaring is onderbroken continuïteit
Net als sex.
Ik stink. Ik heb in geen tijden water gezien. Laat staan vocht. Ik weet nog hoe het smaakt, hoe het de huid laat glimmen. Ik heb vandaag alleen voor de T.V. gezeten en gemasturbeerd. Nog geprobeerd pizza te bestellen maar ik had geen geld. Gelukkig is er video. Met orgasmes verdrijf je de honger eventjes. Je neus filtert alleen de interessante geurtjes voor je uit en de kwalijke geur van bevochtigde en geschuurde huid blijft je bespaart tot je weer ademt. Ik zie je liggen in gedachten. De t.v. tussen je benen het snoer om je linkerborst. Ik geloof dat ik háár nu wil. Het is weer anders geworden, zo vreemd. Ik weet wel waarom je me niet wil je vind me lelijk je bent vol afschuw als ik dichtbij zou komen. Ik laat je maar. Maar het is weer anders nu… Ik wil je echt. Niet zo maar als iedereen iedereen wil. Ik wil. dat. I. K. terug zou kunnen krijgen wat ik heb verloren. Tot vandaag was het goed maar daarstraks kwam het besef. Ik stink niet naar jou. Ik wil naar jou ruiken, hoor je me Ik wil jou over me heen, vocht… Ik heb me doodgevochten als soldaat in de eerste wereldoorlog… Mustardgas is best in the morning right after breakfast. Enjoy it with a cup of tea, my dear, it’s been so long since I’ve made you a cup of tea. Ik drink alleen citroenthee met 1 klontje suiker. Ik hou niet van thee ik houd niet van warm vocht, lichtelijk bitter en te zoet, de keel knijpt ervan samen net als van mosterdgas. Je luistert niet. Ik heb je gebeld maar je was in gesprek. Ik luister naar het klikken in de telefoon. De gesprekken die honderden kilometers verderop gevoerd worden fluisteren door de ruis het grote verhaal, het enige verhaal, het enige verhaal dat alle mensen te vertellen hebben en dat vanuit een bepaald luisterperspectief ongeveer zo klinkt als een telefoon nadat de ingesprektoon wegsterft…
Ik werd gek van mijn antwoordapparaat omdat er nooit berichten op staan alleen nieuwe hoofdstukken van dat verschrikkelijke oneindige verhaal. Hoor je hoe ze het zingen? Het nieuwe evangelie. Kruisig mij want ik ben Jezus, stenig mij want ik ben de zoon van God, steek die lans in mijn zij want ik wil dat jullie klaarkomen strontgebroed! God vergeef het ze en leg alle schuld bij mij. Laat mij adopteren door Satan en stuur moeder met me mee zodat U de eenzaamheid voelt van Jozef, mijn vader en elke man en vrouw op aarde wanneer Uw GROOTSTE GESCHENK wordt ontnomen en het enige dat overblijft het miezerige geloof is
Het miezerige geloof in U, oh heer en al Uw werken van LIEFDE
Ik was me totaal niet bewust van de tijd. Ik moet daar uren gezeten hebben, klaarblijkelijk zo verzonken in gedachten en bezig met wat zo langzamerhand één van de meest vreemde verhalen ooit begon te worden, dat ik niet eens gemerkt had dat het eten waarschijnlijk heerlijk was geweest en dat alle andere mensen al uren geleden weg waren gegaan. De stoelen stonden al op de tafeltjes en de arme loonslaven waren al bezig met opruimen en poetsen. Op dat moment werd ik opgemerkt door de ober die me bediend had.
"U bent nog steeds hier?", vroeg hij.
"Ja, het lijkt erop dat ik een beetje de tijd ben kwijtgeraakt. Ik neem aan dat jullie gaan sluiten?"
"Klopt, ik moet U helaas verzoeken om ook te vertrekken zodat we verder kunnen met opruimen." Hij keek erbij alsof hij wilde zeggen: ‘Ik snap het, ik zie hoezeer je ondergedompeld bent in je map, maar dit is niet de beste plek om verder te lezen.’
"Ik snap het, jullie moeten verder. Dan ga ik ook maar verder."
En daarmee stond ik op, map in de hand, mijn jas over mijn andere arm heen en liep richting deur. De ober stond naar me te kijken, ik voelde het. Op het moment dat de blik zo zwaar werd dat ik voelde dat hij zou gaan spreken, draaide ik me om en keek hem aan. "Is er wat?", vroeg ik.
"U heeft de rekening nog niet betaald, meneer."
Oops, dat was ik inderdaad vergeten. Ik voelde dat ik rood werd. Kut, ik haat dat. "Sorry, het is me totaal ontschoten, ik was namelijk zo verdiept in, in… dit hier", ik klopte op de map, "dat ik totaal, nou ja, U snapt het wel."
"Het is geen probleem, meneer. Als U hem maar even betaald. Het is precies vierenvijftig gulden." Ik nam mijn beurs uit en betaalde hem met zestig. "Is goed zo", zei ik, met een toon die me nog steeds niet beviel, ook al genoot ik ervan tips te kunnen geven. "Het spijt me, maar mag ik U iets vragen?" De ober keek me aan alsof hij opeens de inval van zijn leven had gekregen. Ik had die uitdrukking wel vaker gezien en het betekende dat hij me ging vertellen dat hij me kende, mijn band en de muziek en dat hij ze alle drie fantastisch vond en of ik alsjeblieft morgen wil terugkomen om zijn demotape te beluisteren; hij had er natuurlijk maar ééntje. "Bent U niet Michael Scarum van Waterfall?"
Daar, het hoge woord was eruit.
"Coole muziek, man. Ik ben helemaal gek van jullie, die nieuwe clip is echt vet! Om het uur op MTV. Hebben jullie in de buurt een concert, of zo?"
"Ik wist niet dat we….MTV? Hoelang al?"
"Je weet niet dat je…man, dat is absurd. Al drie weken en ze blijven ‘em draaien!"
"Eeuh… Serieus? Wow!"
"Eigenlijk moet je dit vieren! Heb je zin om straks als ik klaar ben mee te gaan. Ik ga met een paar vrienden de bossen in; een beetje feesten, weet je wel…"
Ik wist niet meer wat ik wilde. Dit was nieuws! Ik had zin om te feesten, maar ik zat nu in zo’n rare situatie… misschien was het beter nu gewoon naar huis… onzin! Ik moest juist feesten, daar ging het toch om, lol hebben en genieten van het leven. Maar ik kende deze jongen niet en ik wist niet of ik hem moest vertrouwen of niet, dus zei ik: "dat is prima, cool. Dan ga ik hier weer zitten en lees nog even verder. Roep me maar als je klaar bent."
"Misschien kunnen we dan straks met jouw auto gaan, tot zo."
Ik was nu al jij en jouw auto, maar ik kon verder lezen en ach, wie weet werd het wel leuk.
Bossen waren ook bij ons altijd de favoriete lokatie voor een feest.
Ik dacht dat ik gek werd, gisteren. Ik lag in bed en het regende. Het regende hard en de wind waaide. Ik kon het horen op het dak en aan de zonneschermen. Het was al donker en het was al zondag. In bed, onder de dekens voelde ik me wel veilig, maar toen het ook nog begon te onweren werd ik erg bang. Deze storm was voor mij bedoeld ik voelde het heel duidelijk. Zoals je soms weet dat de telefoon zal gaan.
De telefoon ging.
Ik nam het draadloze ding op en hield het aan mijn oor. Ver weg hoorde ik de wind waaien en een zacht tikken verleende aan het geruis een onheilspellend ritme. Opeens klonk er gepiep alsof een zware metalen deur werd opengemaakt. Voetstappen… een knal… gerammel… bezettoon.
Ik lag in bed en rilde. Buiten wakkerde de storm verder aan. Iemand was daarbuiten. Had geprobeerd mij te bereiken. Voor me zag ik een dijk, zwarte wolken en flitsen op de achtergrond en midden op de dijk een telefooncel waarvan de deur steeds open en dicht werd geblazen. Geen mensen, geen geluid behalve de wind en de regen en het piepen van de deur. Met tranen in mijn ogen dook ik onder de dekens en probeerde alle gezichten die langskwamen te negeren. Ze spraken, die gezichten, maar ik kon ze niet horen. Ik hoorde alleen de bezettoon. Het lukte me niet ze te negeren. Iemand had geprobeerd mij te bereiken. Nou dat was gelukt. Een ijzige hand omklemde mijn hart, een razend vuur woedde in mijn brein. Met de laatste moed stak ik mijn hand boven de dekens en gooide ik de telefoon zo hard ik kon tegen de muur. Het is zondag: ik heb de hele nacht wakker gelegen. Wat had ik gedaan? Nu was ik onbereikbaar, wat als iemand me probeerde te bereiken? De zondag duurde zo lang…
The future is bright
The future is nuclear
Gain through
pain
Just call me "lefty" Kill at will
Live and give
Try and die
Love is enough.
I’m no power
SLIME
Twintig minuten later hadden we het restaurant, het tunneltje en het tankstation al ver achter ons liggen. We zaten in mijn auto en ik had van de jongen, die Mark heette de instructie gekregen richting Eindhoven te rijden. Zo gezegd zo gedaan en binnen een half uur moesten we er zijn als ik zo doorjakkerde. Mark vertelde over onze muziek, de teksten, wat het voor hem betekende en de dingen die hij had gedaan terwijl hij naar onze muziek luisterde. Ik was onder de indruk van zijn vermogen door te blijven ratelen over iets waar ik soms het idee van had dat het het saaiste en meest zinloze was, dat ik ooit had gedaan.
Bij Eindhoven aangekomen werd de instructie verder gespecificeerd en bleek dat het uiteindelijk doel Geldrop zou zijn.
Ik begon een beetje nerveus te worden. Het kon natuurlijk ook helemaal verkeerd lopen. Ik had een dure BMW, vast en zeker veel geld op zak, ze hoefden me maar dronken te voeren of een papertripje in mijn booze te gooien en ze hadden de coolste story van het jaar! Ze zouden waarschijnlijk zelfs het nieuws halen met zo’n stunt.
"We zetten je auto wel bij mijn ouders voor de deur, dan kan ik ook nog even naar binnen voor een matras en een slaapzak voor je.", hij zei het alsof het om één van zijn vrienden ging.
"Dat is prima. Maar vertel eens, wat is eigenlijk de bedoeling? Heeft het feestje nog een aanleiding, is er iemand jarig of zo? Hoeveel mensen komen er?"
"Vandaag is de laatste dag van de zomer, volgens ons dan. Ik bedoel, het weer is gewoon fantastisch en het is zaterdag; als dat geen aanleiding is voor een feestje?"
"O.k., hoeveel mensen komen naar jullie feestje?"
"We hebben in totaal ongeveer twintig mensen opgetrommeld. Iedereen is net weer begonnen met school en nu al helemaal verrot. Vandaar de bereidwilligheid. We hebben drank in overvloed, sterke zowel als bier en zo en natuurlijk is de oogst binnen…"
Ik moest lachen om de manier waarop hij dat zei. De oogst was binnen, thuiskwekertjes, relaxte lui. Ik begon me al meer op mijn gemak te voelen en langzaam begon er zelfs een kriebel in mijn buik te ontstaan: Party!
Met een gevoel van: Schaam je!, vroeg ik voorzichtig: "Hey Mark, bestaat jullie vriendenclubje uit alleen stelletjes, of eh…ook eh…single chicks?"
Mark begon te lachen en met een ongelofelijk duivelse blik zei hij: "Wacht maar af…"
Ik parkeerde de auto bij het huis van zijn ouders en voelde ogenblikkelijk een vreemdsoortige nervositeit opkomen. Mark moet het gemerkt hebben, want hij zei: "Ze zijn niet thuis, hoor. Op vakantie naar Indonesië… Ons paps werkt bij Philips, snap je." Het was een mooi groot huis, vrijstaand, met in de voortuin een grote vijver met een fontein. Om de vijver heen liep een grintpad dat uitkwam op een brede, met rode stenen beklede trap. De auto stond voor de garage aan de rechterkant van het huis.
Mark vroeg of ik even buiten wilde wachten. Ze hadden namelijk een hond en een alarm en het eerste zou even aan me moeten wennen en het laatste moest eerst gedeactiveerd worden. Ik ging op de trap zitten en keek naar boven. Boven het licht van de straatlampen uit kon ik de sterren zien. Het was inderdaad een prachtige nacht. Ik merkte dat ik een grote glimlach op mijn gezicht had, we stonden op 9 in de top 40. Dat kon bijna niet. Onze muziek was niet populair, het was donker en zoals we vaak werden genoemd, retro. Nu begreep ik waarom Steve zo opgefokt was. Waarom er een nieuw album moest komen. Ik moest hem toch eens bellen. Plotseling dacht ik aan de drie Voice-mailtjes die ik nog had staan. Ik moest wel oppassen want ze werden maar drie dagen bewaard, voor die tijd zou ik me er toch een keer toe moeten brengen ze te beluisteren.
Mark riep van binnen dat de kust veilig was en dat ik naar binnen kon komen. De hond begroette me als eerste. Het was een grote boxer die luisterde naar de naam Rover en het was een enthousiast beestje. Je ziet het normaal alleen in films gebeuren, maar nu overkwam het mij dus: het beest nam een flinke aanloop en sprong uit volle macht tegen me aan. Ik verloor mijn evenwicht en viel achterover. Rover zat boven op me en likte mijn gezicht.
"Hoi Rover, leuk je te zien", zei ik maar, want veel meer was toch niet mogelijk.
Ik rolde om en sleurde Rover mee, zodat hij onder lag en ik boven. Het beest had lol, hij kon er maar niet genoeg van krijgen. Uiteindelijk vond Mark dat het welletjes was en riep Rover bij zich. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om snel overeind te komen en de keuken op te zoeken om mijn gezicht te wassen.
De bult op mijn hoofd van de val gisternacht was een flinke… Het was me nog niet eerder opgevallen, maar Rover’s enthousiaste sprong en de daaropvolgende klap op de vloer had de pijn weer flink doen uitwaaieren door mijn hoofd…. Het water in mijn gezicht trok de pijn uit mijn hoofd, en ik voelde hoe tintelingen ervoor in de plaats kwamen. Over een paar dagen was die bult wel weg.
Met een matras onder zijn arm en een slaapzak onder de andere stond Mark voor me. "Pak jij de slaapzak even." Ik aaide Rover nog even over zijn bol en nam de slaapzak.
"Let’s go!"
Ik had verwacht dat we zouden lopen, maar dat was een misser. De garagepoort ging open en daar stond een scooter, glanzend zwart. Monsterlijk geschikt voor het afsnijden van medeweggebruikers en auto’s voorblijven in de bebouwde kom. Mark zag me kijken en vroeg of ik misschien niet liever wilde lopen. Het was maar een half uurtje en hij hád maar één helm… Ik keek hem aan en begon te lachen.
Even later zaten we op het zwarte monster en vlogen met 70 door de straten van Geldrop. Ik hield me wel stevig aan hem vast, want hij nam de bochten ietsje korter dan ik ze had genomen; toch genoot ik van de wind in mijn haren, gezicht en het gevoel te vliegen. Ik besefte nogmaals dat onze muziek populair was aan het worden, dat het ondenkbare stond te gebeuren en ik op weg was naar een gathering in the woods van Geldrop.
Het vreemde gevoel, dat gevoel dat Sartre bij me opwekt, bekroop me en gleed rond mijn hart als een slang, een cobra gleed zachtjes rond mijn hart en drukte het bloed eruit, liet het terugstromen en spande weer zijn spieren. De kracht was onvoorstelbaar…ik voelde me zo levend, zo bewust van mogelijkheden, de vrijheid. Ik kreeg zin in drank.
We reden nu niet meer op wegen. Het waren paadjes die dwars door weilanden voerden, boswegen zo donker en smal dat een tegenligger met dezelfde snelheid ons doodsvonnis was geweest. Maar hier waren geen tegenliggers, hier was niets en niemand. Zelfs geen konijntjes die in het licht van de grote koplamp gevangen raakten en pas op het laatste moment wisten te vluchten. Waar hadden ze in godsnaam dat feest, vroeg ik Mark. Hij zei niet veel terug, hij was te zeer op de weg aan het letten en hoorde het waarschijnlijk toch niet door de helm, die ik hem had laten opzetten om zelf de wind te kunnen voelen.
Hij zette zijn helm af en zei dat we er zo zouden zijn. In de verte, we reden nu weer door een veld, zag ik een bosrand. Een dicht groot bos leek het, erg donker. Maar dingen lijken anders als ze niet door de zon beschenen worden en ik was nog nooit bang geweest voor het duister…
Tussen de bomen, naarmate we dichterbij kwamen, zag ik licht verschijnen en hoorde ik plots geluid. De bosrand bleek een ingang te hebben in de vorm van een heel smal paadje, dat ontoegankelijk werd gemaakt door de vele overhangende takken. Ik moest afstappen en liep achter Mark en zijn monster aan richting vuur.
De bomen rondom het vuur waren tot leven gekomen in een flakkerende gloed…. De bladeren leken groen zoals groen millenia geleden moet hebben uitgezien… De mensen rondom het vuur waren als tijdloze archetypes aanwezig in de scene….. Vrolijk ronddansende meisjes, een paar jongens die hout op het vuur gooiden…..
Ik ging zitten op één van de daarvoor bestemde dekens en liet de omgeving en de mensen een beetje op me inwerken….Belangstellende blikken en vragen aan Mark maakten al snel dat ik een aantal mensen om me heen had, die me van alles aan het voeren waren uit diverse flessen, lieten roken van pijpjes en joints en tot mijn grote verbazing deden alsof ik tot de crowd behoorde… Het was blijkbaar geen probleem dat ze onze muziek kenden. Ik werd voorgesteld aan iedereen en tot mijn grote verbazing hoorde ik uit een van de taperecorders onze muziek schallen… Mijn stem klonk door het donkere bos en deze mensen dansten, dronken…. Dat gevoel van op de scooter met Mark kwam hevig terug…. De cobra had zijn hoofd naar mijn hersenen gewerkt en zich vastgebeten…terwijl hij mijn hart bleef pompen…
Ik wist niet of ik moest huilen of lachen. De dope die ik toegediend kreeg deed er nog een schepje bovenop en al snel voelde het aan alsof alles wat ooit zinnig had geleken was geweken voor een twijfel die alomvertegenwoordigd was. De drank stabiliseerde het gevoel in zoverre dat ik er behoefte aan menselijk contact door kreeg.
Er was een heel leuk meisje naast me komen zitten op de deken, dat onder het rollen van een joint af en toe steelse blikken naar me wierp. Ik had haar zien dansen om het vuur daarstraks, haar lange, donkere haren om zich heen zwaaiend als een kraai die probeert te vliegen. Haar ogen waren groot en donker, haar gezicht was van een pijnlijke kwaliteit. Ze merkte dat ik ook naar haar keek, verlangend keek. Ze rolde de joint dicht en keek me recht aan terwijl ze de plakrand bevochtigde met haar tong. Ik voelde hoe mijn pik stijf werd. Ze schoof dichterbij.
Ik kon dit niet meer… Dit was te lang geleden. Ik schoof verder van haar af naarmate ze dichterbij kwam. Ze keek me aan met lieve, warme ogen, alsof ze me wilde zeggen dat ik haar pijn deed door afstand te nemen. Maar kom op schatje, ik ken je niet eens. Daarmee had ik mijn sleutel. De deur van de gevangenis brak open en ik vluchtte. Wat ben ik toch een zielepoot, dacht ik, terwijl het blijspel zich ontvouwde. Dit was de zoveelste vluchtpoging in mijn miserabele leventje en nooit was het me echt gelukt om te vluchten. Ik kwam altijd weer terecht in een andere situatie waarin ik me bedreigd voelde en opgejaagd. Ik rende zo hard als ik kon door die nachtelijke bossen, het gedruis van de mensen en het geknetter van het brandende hout ver achter me latend. Ik was dronken, maar niet zo dronken dat ik geen weg terug kon vinden naar dat dorp.
Ik kwam de straat in waar Mark woonde. Ik zag mijn BMW staan en was opgelucht. Het leven zat me op mijn hielen en ik kon maar niet geloven wat er de afgelopen twee dagen allemaal veranderd was dat ik hier nu buiten adem naar mijn sleutels zocht. De angst kroop hoog mijn keel in, er kwamen vlekken voor mijn ogen en voor ik het wist hing ik over de struiken aan de zijkant van de oprijlaan de drank en de frietjes eruit te kotsen.
Het draaide voor mijn ogen en overal waar ik keek zag ik lichtflitsjes dansen. Alsof er een elfjesbal was. Ik kreeg beelden van het meisje op mijn netvlies, de joint in haar handen. De gedachte aan het effect van een joint maakte het nog aantrekkelijker om mezelf te zuiveren.
Dit had dat leuke meisje van daarnet moeten zien, dan had ze zich wel vanzelf teruggetrokken.
Ik deed nog een poging een laatste keer te persen, alsof het kind er nog niet helemaal uit was, schreeuwend met hete tranen over mijn wangen, spuugde ik wat laatste restjes op de grond.
Op dat moment voelde ik een hand op mijn rug. Ik schrok, maar kon me niet direct bewegen door de krampen die mijn maag verscheurden. De hand streelde mijn rug, aaide me, troostend.
Ik was zo bang, maar was helder genoeg om te beseffen dat dit niet de politie was, waar ik altijd zo bang voor was, de politie die mij door hadden en beseften dat ik met mijn dronken kop in de auto wilde kruipen en weer vluchten.
Ik hoorde "lieve schat" en "kom maar" en ik liet me leiden. Ik wist niet waarheen ik werd meegenomen maar dat maakte me niet meer uit. Ik wilde alleen nog liggen. Slapen.
Ik verzekerde me ervan dat ik de sleutels van de BMW in mijn zak had en dat ze niet nog op de deur van de auto staken zoals ik me meende te kunnen herinneren, terwijl ik aan de hand van het o zo mooie meisje werd gevoerd. Ik kon me niet voorstellen de hoofdpersoon in dit blijspel te zijn, maar ze noemde me bij mijn naam dus ik moest accepteren dat ik in ieder geval een aantal scenes had. We liepen door de straten van nachtelijk Geldrop. In de verte hoorden we een goederentrein langsdenderen en het leek alsof ze danste op het gedreun van de trein. Ik was aan het hallucineren. Dat was me wel duidelijk maar de beelden waren zo helder en tegelijkertijd zo duister dat ik verloren raakte in het spelletje welles nietes dat zich in mijn hoofd afspeelde.
Opeens waren we binnen. Ik realiseerde me dat mijn situatie niet zo erg verbeterd was de afgelopen minuten. Ik kon me al niet meer herinneren dat ik meegegaan was met dit vreemde dansende meisje. Ik kon me plots wel herinneren waarom ik zo ontzettend gaar was. De mezcal had er een groot aandeel in, net als de homegrown.
Het plafond draaide vervaarlijk en de lamp bewoog beangstigend snel. Ik lag blijkbaar. Dit was niet goed. Het draaien werd sneller en sneller en een of andere engel duwde me met mijn gezicht in een emmer. Ik rook het zuur en verbaasde me over het meisje. Toch wel pit. Ik hoorde nog geen kokhalzen. Met veel vertrouwen kwam er toen een hand die mijn mond afveegde, een andere hand die door mijn haar streelde. Ze bleek naast me op bed te zitten.
Kom maar zei ze en ze nam de emmer weg, liep er mee de kamer uit en kwam 2 minuten later terug met een verse emmer. Ik moest lachen. Ze keek me aan en een glimlach straalde van haar engelengezicht af. Ze was ondertussen getransformeerd tot het archetype moeder en straalde de liefde en het geduld van haar gezicht. Ze kwam weer bij me zitten. Ik stond niet stil bij mijn onfrisse geur en aanblik en gaf toe aan de ongelofelijk sterke aandrang haar te knuffelen. Ik hield haar vast en ze drukte me aan zich. We hielden elkaar zó lang vast, dat het ochtendlicht door de ramen begon te vallen en ik de situatie alweer aan het relativeren was. Tot mijn grote verbazing was ik weer nuchter geworden en in staat na te denken. Ik besefte hoezeer ik dit meisje in mijn hart had gesloten. Ik besefte echter ook de consequenties. Voor het eerst in mijn leven stond ik toen stil bij wat ik dacht. Ik ging ervan uit dat zij mij zou willen voor een relatie. Wie was ik, wat was ik, dat ik er niet eens rekening mee hield wat zij dan wel niet wilde?
Maar goed ze was natuurlijk wel de hele nacht hier geweest en… maar het kon natuurlijk ook dat het gewoon een heel lief, aardig meisje was. Ik voelde de camera’s, ik zag de regisseur lopen en aanwijzingen geven. Ik wist niet eens haar naam.
Wil jij nog gaan slapen? , vroeg ze. Wil jij nog gaan slapen? , vroeg ik haar. Ze knikte. Ja, maar ik wil me eerst even douchen en wat eten. Ze pakte mijn hand en leidde me naar de badkamer waar ze eerst mij en daarna zichzelf uitkleedde. Ze draaide het water open en duwde me eronder. Het was koud. Zo koud dat mijn zich langzaam oprichtende pik al snel weer kalmeerde. Ze kwam erbij en draaide het warme water aan. Dat was beter. Ze waste me.
Met mijn ogen dicht stond ik daar tegen de douchewand aan te genieten van haar handen. Ik wilde zo de komende twee maanden wel blijven staan. De handen verdwenen ineens en ik deed mijn ogen open. Ze stond daar naar me te kijken met een blik van komt er nog wat van? Terwijl ik haar waste, haar haren, haar lichaam, besefte ik dat ik hier had waar ik nog geen hele dag geleden zo naar verlangd had. Ik waste haar met mijn lichaam en ik kuste haar nek. Ik hield haar dicht tegen me aan en liet het water al mijn gedachten wegspoelen.
Voorzichtig droogde ik haar af en we trokken onze kleren weer aan. Er was niemand thuis buiten ons en dat verbaasde me wel een beetje. Dit meisje van hoogstens 20 was alleen in dit grote huis en liet zomaar een vreemde binnen. Nou ja binnenlaten… ze had me meegenomen. Ik had waarschijnlijk haar feestje goed vergald. Ik vroeg haar of ze me het niet kwalijk nam dat ik haar avond verknald had gisteren. Ze lachte en vroeg of ik een boterham luste. Even later zaten we samen in de keuken aan tafel boterhammetjes weg te werken. Ik voelde me uiterst vredig en kalm. Anders dan ik me in lange tijd gevoeld had. Ik bemerkte dat er wat verstorende gedachten op de loer lagen, maar ik verzette me daartegen. Nu was niet het moment om opnieuw ten prooi te vallen aan de twijfel.
Ik werd wakker met een hoofd vol zoete, warme gedachten. Flarden van dromen die bleven hangen als zoete geuren in de zomerwind. Ik keek naast me en was tevreden. Ze sliep nog. Dit mooie, lieve meisje wiens naam ik nog steeds niet kende vertederde me zo… Ik kroop tegen haar aan, nog dichterbij. Ik voelde haar warme naakte lichaam mij de geborgenheid bieden die ik al zolang zocht. Dit was fijn.
Ik herinnerde me dag ervoor. Hoe ik vanuit het huisje wegvluchtte om te ontsnappen aan het gevoel door de wereld te worden opgegeten. Ik herinnerde me ook dat ik nog een aantal berichten op mijn voicemail had staan en dat ……
Shit! De deur van het huisje nog open stond en mijn telefoon daar nog lag. Evenals al mijn spullen. Ik had wel mijn laptop meegenomen.
Toch kon ik er niet echt bezorgd om zijn. Zoals ik daar lag, was er niet veel wat mijn gemoedsrust zou kunnen verstoren. Ik kuste haar nek en haar wangen. Ze kreunde wat in haar slaap en zocht naar mijn hand.
Na een uurtje deed ze haar ogen open en knipoogde tegen het licht. Het werd al wat vroeger donker en erg veel licht om tegen te knipogen was er niet. Het was al bijna zes uur. We hadden lang geslapen. Ik kuste haar hartstochtelijk en ze opende haar lippen onmiddellijk voor me. Het was duidelijk dat het gevoel dat ik voor haar ondervond wederzijds was. Zo duidelijk zelfs dat we niet uit bed kwamen voor dat het echt goed donker was buiten.
Vreemd genoeg was onze eerste gedachte dezelfde als de laatste die we die ochtend hadden gehad. Food! We hadden allebei erge honger. Maar Lisa deelde mede dat er nauwelijks iets in huis was om te eten. Ze stond me met een pruillipje aan te kijken terwijl ze uitbracht:"ik heb geen zin in pizza."
Het was zo’n komisch gezicht, dat ik het uitschaterde van het lachen. Ze hield zich van de domme en deed half verontwaardigd alsof ik haar uit aan het lachen was. Ik nam haar in mijn armen en kuste haar. "Ik neem je mee uit eten. Ik heb wat te vieren."
We hadden onze keuze laten vallen op een japans restaurant in de buurt van Geldrop. Lisa had zich omgekleed en zag er in haar -eigenlijk te koude- zomerjurk fantastisch uit. Je kon zien dat ze meerdere malen was klaargekomen vandaag. Haar ogen fonkelden en ze straalde sex uit. Ik zag dat sommige kellners het moeilijk hadden hun concentratie bij de bestelling te houden en één van de chefs liet zelfs een stuk vis te ver doorvliegen omdat hij afgeleid werd. De vis kwam terecht in de buurt van het décolleté van een forse dame die met een groep aan tafel zat.
Ik lachte naar Lisa en kuste haar hand. Ze bloosde. Onvoorstelbaar. Ik voelde me zo gelukkig.
Nadat we de bestelling hadden gedaan, vroeg ik haar waar haar ouders eigenlijk waren en of ze nog broers of zussen had. Ze glimlachte en vertelde dat haar ouders nog op vakantie waren in Indonesië en dat ze geen broers of zussen had. Haar school was pas net begonnen en ze hoefde nog niet erg veel te doen. Ik durfde bijna niet te vragen hoe oud ze was. Ik schrok een beetje van het woord school. Zo had ik het nog niet bekeken. Ze bleek twintig jaar oud te zijn. Net begonnen aan het derde jaar van haar universitaire studie culturele antropologie. Volgend weekend zouden haar ouders thuis komen en daarom was ze in Geldrop, vertelde ze. Ze studeerde in Nijmegen, waar ze ook op kamers zat.
Ik vertelde haar over mijn leven, het nutteloos rondzwerven van stad naar stad, het uitproberen van studies en het uiteindelijke besluit mijn kansen te nemen als kansarme jongere. De jaren die daarop volgden, muziek maken, optreden, leuren met demo’s, tot het er dan toch een keer van gekomen was, dat we onder contract een cd konden maken. Hoe blij we waren toen er eindelijk cd’s verkocht werden en we gevraagd werden voor optredens. Ze luisterde ernaar en glimlachte terwijl ze stukjes vis en rijst haar mond inschoof met twee stokjes. Ik keek naar haar en was verliefd. Ik besloot op dat moment haar mee te nemen naar mijn moeder. Nog nooit had ik zo’n idiote gedachte gehad. Ik wilde met haar naar mijn geboortedorpje om daar met haar door de bossen te wandelen en alle plekken te laten zien die voor mij belangrijk waren geweest. Bij de volgende slok wijn realiseerde ik me echter dat het voor haar onmogelijk zou zijn om zich zo vrij te maken. Ze was niet zo vrij als ik, ze moest naar college, ze werkte waarschijnlijk. Ik, die me de laatste jaren zo vrij had gevoeld, voelde me nu opeens gevangen, buitengesloten. Wat was vrij zijn als de rest van de wereld bezig was? Ik raakte een beetje gedeprimeerd. Het gevoel verliefd te zijn werd in de kiem gesmoord en een verlangen naar vluchten kwam bij me op. Ik wilde niet vluchten, maar hoe kon ik hier mee doorgaan. Het was onmogelijk mijn vrijheid op te geven. Zomaar mijn leven weer om te gaan gooien, het zou waarschijnlijk inhouden dat ik dan toch zou eindigen als een nietsnut. Ik kon het niet voor elkaar krijgen in mijn hoofd en het zweet stond me op het voorhoofd. Ze zag dat ik me erg ongemakkelijk begon te voelen en vroeg wat er aan de hand was. Ik wilde het haar zo graag uitleggen, maar ik wist zelf nog niet eens dit probleem te formuleren.
Gelukkig hadden we niet teveel besteld en was Lisa snel uitgegeten. Ik vroeg me af wat ik haar ging vertellen. Terwijl we terugkuierden naar Geldrop, vertelde ik haar dat ik erg verliefd op haar was. Ze vleide zich tegen mijn schouder en kuste mijn oor. Ik was bijna wanhopig. Ze keek me aan en zei dat ze wist dat ik me zorgen maakte over hoe het eventueel verder zou gaan. Wat kon ik hier op antwoorden. Ik wist dat ze me doorhad, dat ze precies wist hoe ik me voelde en dat ik me zorgen had zitten maken om niks. Het zou haar allemaal niet uitmaken en we zouden wel zien. Precies zoals ik mezelf altijd beloofd had. Vrijheid. Ik kreeg tranen in mijn ogen en besloot dat ik wel eens een beetje manisch zou kunnen zijn. Jantje lacht, Jantje huilt.
Ik vroeg haar om met me mee te gaan naar zuid-limburg. Naar mijn geboortedorpje. Ik beloofde haar dat we voor het weekend weer terug zouden zijn. Ze sprong op mijn rug en spoorde me aan.
Bij haar ouders thuis aangekomen dachten we erover om maar meteen weg te rijden, maar we realiseerden ons dat het onmogelijk was zonder auto. Met de laatste warmte liepen we de deur uit richting het huis van Mark. Daar stond mijn geliefde zwarte monster. Bijna onopvallend in de zware nazomer-schemering. Vanaf een afstandje zag ik de zwarte map weer liggen en ik kreeg een gevoel van bijna euforie. Ik kon niet geloven dat dit op het moment allemaal met mij gebeurde. Mijn hand gleed mijn broekzak in om de sleutels te pakken maar vonden slechts een zakdoek, weer raakte ik in paniek en weer werd ik gered door deze duivelse engel, die mijn sleutels gepikt had. Ik keek naar haar en zag haar de sleutels voor haar gezicht zwaaien, alvorens ze ze tussen haar borsten liet vallen. Of ik ze maar even wilde pakken, vroeg ze. Met dat ik mijn hand in haar jurk steek, horen we boven ons een stem, die al lachend verkondigde dat hij toch gelijk had gehad wat die meisjes betrefte. We begonnen allebei te lachen en Mark vroeg ons of we even binnen wilden komen. Ik wilde het woord nemen, maar Lisa was me voor door te zeggen dat we nog een lange rit voor de boeg hadden. Met één welgemikte greep viste ik de sleutels uit haar BH en opende de deur van de BMW. Ik hoorde Mark bijna paniekerig roepen: "Ik zie je toch nog wel eens?" "Jazeker!", riep ik en wekte het beest tot leven. We zwaaiden allebei naar Mark terwijl we de straat uitreden. We hadden niets nodig, we zouden morgen wel boodschappen gaan doen. Of was het morgen zondag? Het maakte niet uit. Ik keek naar Lisa en besefte dat ik me in jaren niet zo goed had gevoeld.
2
"Dat wat het kruist"
Het licht was uit in mijn kamer, zomaar. Ik weet niet waarom ik het uit heb gedaan. Misschien omdat ik klaar was met tandenpoetsen of omdat ik mijn buurman niet wilde zien….
De dingen in mijn kamer namen na een tijd daar zo te hebben gestaan dreigende vormen aan en leken te leven.
De kaars wilde niet branden
Daarom had ik het licht uitgedaan, om te zien of de kaars het zou aandurven tegen de donkerheid. Ze durfde niet en ging uit.
Ik nam de kaars, met het licht aan, mee naar een doos om de pit verder vrij te branden, de vloer is geleased zeg maar.
Het vuur kwam en ik deed het licht uit. De kaars vulde mijn kamer met bruin-oranje warm licht. De omtrek van de kaars werd gevuld met de donkerste diepten van mijn kamer en de vloer krioelde opeens van het leven. Met laffe reuzenstappen zette ik de kaars op z’n plaats naast mijn bed. Nu brandt ze er lustig op los. Ze verlicht mijn hoofdeinde en het papier dat ik beschrijf. Ik zie hoe de lijnen uit mijn pen vloeien en mijn vingers die het papier vasthouden en de vingers die de vulling van een Parker pen duwen naar mijn gedachten, mijn gedachten, mijn gedachten…
De nacht ligt achter me. Het is waar. Het is weer licht. Ik zie mijzelf genoodzaakt te liggen en rustig te blijven, maar ik voel me bij mijn strot gevat. Het zonlicht dat door de koude ochtendwolken schijnt lijkt zo levend, zo vol van alles, van de lente haast. Maar het is nog geen kerst en het verleden gevoel is nog niet verdwenen. De nacht ligt achter me en er zijn er afgehaakt in die donkere nacht. Het was wind en regen en storm en vuur. Het vloeide, we voelden het allemaal en ja er was drank en ja er was hasj.
Als je zo’n ochtend als deze ziet, wil je alleen nog maar nuchter zijn, nuchter en fris, klaar om te beginnen, maar met dit gevoel:" Then I deserve to see your face again" . En de wolken drijven verder… Ergens staan er mensen op en trekken hun skischoenen aan… Ergens anders is het 30 graden in de schaduw, morgenmiddag en valt een zware, zwoele nacht over de mensen. De liefde stroomt overal, onderbroken nieuwe wegen… Verdriet en pijn, genot, geborgenheid. De resultaten zijn binnen, het kind is vannacht geboren, althans een paar moleculen, dan. De helden slapen vredig zij aan zij, deel uitmakend van het eskader LEVENSSLOOP. Samen en gelukkig, nee, natuurlijk niet. Maar dat versterkt het gevoel weer. Het zijn niet alleen mijn persoonlijke herinneringen. Zondagmiddagen lang in blauwe ogen staren met een herfst gemaakt van eikehout, maneschijn en windgezang… Die ogen die alles in orde maakten, die de puzzel deden vervormen tot één helder beeld. Die zondagmiddagen waren ballonnen van tijd, opgeblazen door de emotie en de perceptie en het verlangen. Al deze herinneringen zijn de mijne, maar zij liggen hier te slapen en hebben hun eigen herinneringen… Hoe eenzaam zijn wij dat we dat niet kunnen delen? De tijd ontdoet de werkelijkheid van z’n magie, de wereld went, de waanzin went, maar ook emoties wennen en stompen af. De dopefactory in je hoofd loopt op halve kracht en twijfel is het nieuwe spel, want twijfel is net zo euforisch als het product op volle capaciteit.
Ik wil me niets herinneren want dan wil ik het terug. Ik kan me niet verheugen op de dingen die gaan komen want het zijn er zoveel. Het leven is zo lang en zo beangstigend snel. De zakelijke kant neemt de overhand. En het vertrouwen smelt als sneeuw voor de zon en ik weet nog dat het sneeuwde die nacht, die nacht waarop ik mijn hemel ontdekte en besefte dat ik hem zou verliezen. Ik ben dankbaar voor al die jaren voor al dat gevoel voor al die illusie. Waar leef je voor? Illusie.
Ik vertel de leugens die mijn leven lijken te beschrijven, de halve waarheden die moeten voorkomen dat er stilte valt. Zoals ik vandaag was, zoals ik me voelde, dat wil ik wel vaker. Ze wilde haar ex, zo zeer, dat ze hem smeekte zijn lul in haar mond te mogen nemen. "Ik ben toch aardig", vroeg ze me. Ik antwoordde bevestigend en zag haar op haar knieën zakken.. Vrijheid voelde ik vandaag, voor het eerst in jaren, vol vertrouwen. Ik moet alleen uitkijken dat het bouwwerk niet instort en stilte weer gaat overheersen. Maar ik voel dat het goed komt. Ik voel me levend. Ik heb weer zin om drugs te nemen. Hallucinogenen. En het wordt weer eens tijd voor kutje. Lekker sappig, warm, kutje om te likken, te neuken, te voelen. Wacht maar ik ben nog lang niet klaar, ik kan nog heel wat leugens verzinnen, ik moet er alleen weer zin in krijgen. En ik geloof dat dat wel goed zal komen. Ik wil slapen maar dit bandje is heerlijk en ik doe toch pas m’n ogen dicht als ik het helemaal gehoord heb. God, wat vond ik het jammer dat het niet langer duurde vanavond…
I’m on a roll & If you ever think of me
I feel my luck could change Please feel it baby
Kill me Sarah Please believe somehow
Kill me again with love Somewhere…
I t’s gonna be a glorious day
Iedere keer als ik gaap ruik ik een citroenachtige geur, een geur die me doet denken aan de zomer, een zomer die nu voor me ligt, een zomer waarin dingen moeten gaan veranderen. Het wordt er godverdomme wel eens tijd voor. Ik kan me niet veroorloven nog een jaar weg te gooien. Dit moet al een mooie zomer worden. Ik heb zin in speelse romantiek. Het intense gevoel dat het woord of de klank kan geven wil ik weer voelen. Ik wil de geest terugroepen, oproepen tot mij te komen en opnieuw mij mij inspiratie te verlenen, mij tot kanaal te maken, laat het via mij stromen. Ik wil de uitverkorene zijn… Ik heb zin in drugs, hallucinogenen.
I can do this alone, we’re all alone and you’re on your own when the beat stops, so let’s… make music
=And now we are one in everlasting peace=
Gevleugelde woorden vangen geen geld.
Ik wil als zwerver rondlopen in Zuid Europa, de zon voelen, de hitte, de mensen proeven, het gelach en de zee horen. Tot rust komen en het geld achterlaten. Al die dingen die me hier zo achtervolgen, mijn haar laten invlechten, een tattoo, een piercing, fitter worden, vrienden maken. Ik wil weten wat ik gemist heb al die jaren. Ik wil me niets meer onthouden. Ik wil mezelf verwennen, al mijn zintuigen bevredigen. Voor dat soort mensen is er tijd, voor dat soort mensen is er gezelschap. Ik hoop dat ik niet te veel lieg. I just want someone to save me. Niet meer stay with me and i’ll have it made. Ik maak het wel en ik zie je wel. Het voelt heerlijk om de pen weer op papier te hebben en mijn hand de woorden van mijn ogen te zien schrijven. It’s not sane, but I don’t care. I wanna be what i really want. Waarom zou ik nog langer dat wrak zijn. Ik ben nog jong. Ik kan nog zoveel doen, waarom onthoudt ik me dat?
Let’s all meet up in the year 2000… 2 o’clock by the fountain down the road. Laat maar, ik heb een andere afspraak, maar ik zal het me wel blijven herinneren en verder… ach, dat overleven we wel. Friends come and go, sometimes… What are you doing sunday, baby? Misschien toch wat meer communicatief worden. When the leafs burn summer ends. Write it in the sand. Het wordt een andere herfst die van ‘99, dat beloof ik mezelf. Ik zal redenen hebben om te verzuipen in gevoel, alleen of samen. Melancholie zoals het hoort, niet het lege, doffe substituut voor gevoel dat zich zo vrijpostig in mij genesteld heeft. De voorjaarsschoonmaak is begonnen en de bezem gaat door de leugens, alleen die die in de puzzel passen en blijven plakken zullen overblijven en me helpen nieuwe episodes van het verhaal te vertellen dat mijn leven is.
De straten zijn leeg, mijn voeten kraken het zand weg. Ik weet hoe je moet houden van. Ik weet hoe je moet haten. Ik ken verwondering en wanhoop. Ik weet hoe het voelt te lijden. Ik haat niet. Ik voel geen liefde. Ik ken herinneringen en hun verwoestende effect. Ik weet van de roes, de vloeibare, eetbare en de rook. Het licht ging uit, blijkbaar. Ik ben veroorzaker en ten prooi aan gevolg. Ik zoek confrontatie en vlucht in schaamte. Niet gelovig, wel belezen, doch niet Het Boek. Gezien en ervaren; me mee laten slepen met goedkope sensaties en emoties. Me bewust van het beeld, gespannen en zenuwachtig. Geen idee waar dit toe zal leiden al heb ik wel iets vernomen omtrent het fenomeen dood. Een kunstenaar, podiumbeklimmer midden in de nacht op een schommel in een woonwijk met de maan en papier. Ik ben me bewust van het beeld, een beetje. Ik ken impulsen. Ik kan toegeven. Ik kan sterk zijn. Ik weet wanneer het genoeg is. Soms ook niet. Ik kan op de spits drijven en ik kan zwemmen. Ik weet niet meer of ik bang ben voor spinnen. Ik hou niet van op tijd opstaan. Geld is makkelijk. In de lente heb ik hooikoorts en op papier geef ik me bloot, zei hij. Werkelijkheid is onderhevig aan invalshoek. Ik nies, poep, plas, ejaculeer en kots. Ik hou van geluid, muziek, stemmen. Ik zoek betekenis. Verlichte ramen fascineren me. Ik vraag me af…
Ik verwonder me erover hoezeer ik in mijn leven een spannend verhaal zou willen ontdekken, avontuur, iets beleven, actie. Ook verbaasd het me hoe frustrerend zo’n gevoel is, hoe weinig er eigenlijk gebeurd, te weinig nieuwe, interessante mensen. Ik verbloem wat ik eigenlijk wil zeggen met metaforen en spelletjes, puzzels; maar er valt niks te zeggen. Er zijn geen hapklare brokken beschikbaar, geen snickers voor deze stevige trek. De fixatie op angst: het alleen zijn, het zieke, stervende lichaam, confrontatie, geldtekort, geen nageslacht. Het inzicht in ons stoffelijk verschijnen heeft de onzekerheid opgewekt, twijfel doen toeslaan en het leven met een lichaam is een vraag geworden, zurück zur Natur, nie wieder Ausschwitzen was uns krank macht. Geen natuurdokter met besmet kruidenmengsel, geen sjamaan, theatraal tegenover de kanalen, allemaal banaliteiten, zou je denken, maar je krijgt op z’n minst de kans een opleiding te volgen, jezelf te vormen, tot je past in de puzzel. Creativiteit is geen must, wil je een beetje mee, moet je wél gefrustreerd hangen over toetsenbord, ezel of schrift, mengpaneel A en/of Veelvuldigheid en je voelt je al snel gemarginaliseerd. Tenzij je je DM (Direct Marketing) skills een beetje oppoetst, effe je rechtspositie bepaalt en de boekhouding keurig doet, maak je nog kans op iemands belastingaftrekpost. Het mysterie der wereld wordt langzaam verklaard. De vier letters ontrafelen het grote verhaal en ritsen de dode buik open, waar de ingewanden krioelen van de bacteriën, virussen en bugs. Mijn vriend slaat rijst in, zegt ie. Het millenium komt eraan. Het westen, bedroefd om zijn jeugd, zal de wereld wel eens laten zien hoe je een wereldreligie start. Doe wat je wil. Gedreven of niet, het woord geeft een macht aan. Het liefste eentje van binnen of als het niet meer uitmaakt, eentje van buiten naar binnen of… Vrienden, mensen die ik denk te kennen kampen en kruipen en komen uit bij hulp
verlening van dienst aan de gelegitimeerde dealers. Neemt of U zult sterven van verwarring. Eet, slaap, kijk gerust T.V., nog wat medicatie en dan weer de straat op. Hoe kon ik vroeger denken dat het leven glorieus zou zijn? Lees de kinderen voor uit de kranten en verbrand Grimm en Andersen. De fantasie wordt buitenspel gezet door het geniale voetenwerk van een onderbroek zonder veters.
Verantwoordelijkheid afschuiven, help me, red me, betaal voor me. Een relatie, kom op voor me, vecht voor me, sterf voor me. Een verplichting. Onmacht schrijven is niet voelen en zien is niet begrijpen om van aanvaarden niet te spreken en woorden die sterven in kelen, nog niet eens door rookkankercellen opgezet en weggesneden. Ik probeer te liegen, maar de lust vergaat me. De hitte maakt het overbodig te zweten als de douche het doet. Om voort te borduren op wat geweest is, het theatrale en het banale; het kan bestaan in tijd, tegelijk en op dezelfde plek. Verontwaardiging heeft massa en oefent kracht uit, zoals angst kan stinken. Het geschenk van kanker, de ongecontrolleerde wildgroei van dat wat ik ben. De angst doet groeien; groeit mijn angst vanwege de beelden des netvlies operaties? Alléén sterven is wellicht erger. Zorg voor me, hou van me, ook al rot ik weg. En ademen we beide mijn walmen. Ik wil alles afgevlakt hebben. Het moet glad zijn, geen extremen, er mag niets uitsteken. De ironie ontgaat me een beetje zonder de haat of de liefde: de passie slechts nog voor afvlakking. Egalisering. Ik ga mee met de trend, globaliseer me, kijk over me heen, door me heen. Ik ben het relikwie, Het Boek, of het rode knopje in de lift. Op straffe van het onmogelijke kan ik benaderd worden, gebruikt. Duw me, lees me, voel me. Er is geen troost te vinden in het bewegen van een hand, zelfs niet met zilver. Maar wat valt er te troosten? Onaantastbaar, behalve voor het eigene, toegediend door abstractie en het vluchten voor duidelijkheid. Marginaliseer en bagatelliseer. De algemene termen voorkomen betrokkenheid, net alsof ik me bijna laat meeslepen "ik" te gebruiken en te vertellen over m’n middagen doorgebracht in een commercie-tempel met een klinisch interieur en anonimiteit. Hoe kan het? Hoe is het mogelijk dat er mensen zijn die het makkelijk vinden? Wist ik vroeger meer? Begin ik achteruit te gaan? Is het mogelijk om jong oud te zijn? Hoever moet ik nog? Vertel het me, wijs me, leer me. Waar halen ze de daadkracht vandaan, vanwaar het richtingsgevoel? Zelfkennis zonder verkrampen, loslaten zonder te laten vallen, het gevoel laten zakken van het hoofd naar de solar plexus en de blokkades oplossen. Vergeten en laten leven. Ohooh what a hell of a show, but what i want to know… what exactly do you do for an encore? ‘Cuz this is hardcore. De depressie na de zaadlozing, het besef van een naderende dood. Kun je ellende proeven? Ik mis het om een kind te zijn, de crisissen, de zorgeloosheid, de eeuwigheid van een middag. Ik heb de onschuld verloren, me laten gaan en ben verdwaald geraakt in mezelf, in iemand anders. In hoeveel mensen leef je voort? Nee. Misschien verdring ik dingen. Misschien zou jij willen weten hoe het verder ging… Met de held, het meisje en de auto… Misschien kom ik er nog op terug. Misschien claim ik deze ruimte, dit hier. Als ze straks niet alles komen weghalen. Misschien zou dat beter zijn. Soms denk ik van wel. Ik voel me oud. Alsof het wel mooi geweest is. Lebensraum Sterbenstraum. Er ligt acid op me te wachten. Misschien moet ik maar eens alleen reizen. Journée au bout de la nuit. Wie weet hoe ver ik kom. Anders is er altijd nog Fluanxol. Gewoon even Aapdoorn bellen. Het zand en de lange teennagels. Een grote, zwarte, lege T.V. aan het voeteneind. Misschien ben ik al wat kwijtgeraakt. Misschien vind ik het terug of komt er iets beters. Maar materieel. Ik snap het: kruis. Privé op papier, de ogen in gedachtenhoudend. Ik verwacht je, ik anticipeer. Ik vlak af. Abstraheer. Puzzel me, versta me, vergrijp je aan me. Wat je kan, wat je denkt te zien, mag je aannemen, mag je mee schieten, slaan of kwellen. Ik ben me bewust van jou. Jij nog niet van mij. Maar dat maakt niet uit. Welk verfijnd genoegen bekende, geliefde gezichten te zien vertrekken, verwringen in pijn. Wanhoop universeel, gevreesd, lustopwekkend, leedvermaak. Een parade van pijn. Het geestesoog is bijziend geworden. De staar dan wel glaucoom veegt zijn voeten.
"Le vainquer!", riep de verliezer. Huiveren met oren. De metafysische inkt bevlekt de bladeren van de levensboom, omgehakt en verwerkt tot waarheid. Doctrine en macht: geloof me, het valt wel tegen. Je hoeft dat soort dingen niet te zeggen. Chemische inbalans, weet je wel. Zouden ze wachten? Krijg ik de kans nog? Of… Tot last, tot later. Kom me halen, laat me liggen, denk aan me.
Het maatschappelijk klimaat is gunstig en tolerant. Het individu beschenen door schijnwerpers, mobiliteit in kaart gebracht. Jong en avontuurlijk. Je wilt wat beleven, je leven leiden zoals jij dat wilt. Je regelt je eigen zaken. In een bepaalde zin heb je talent, kom je vooruit, lig je voor. Er is eigenlijk niets wat je kan stoppen. Maar is er wel iets dat je kan bewegen? Of moet dat uit de ziel komen? Met vertrouwen en zelfverzekerheid. Je bent jong en je tijd is nu. Het leven moet schreeuwen en lachen, moet gevaarlijk zijn. Geduld is een schone zaak en tijd verkwisten is god’s zaligheid. Profaan oppervlakkig beneveld, het zijn woorden. Daden spreken luider dan woorden. Het wordt tijd weerôm de woonstee te verlaten en te vertoeven in nieuwe ruimtes. Kleine stapjes, ik wil niet dat je je pijn doet of struikelt, niet rennen, de grond is niet egaal. Namen sluipen door mijn brein. Ik wil me niet vergelijken met hen. Maar hun namen kennen we. Misschien… de ogen die langs mij strijken, de ik op papier, de jij, onbekend. (Fuck Me & Marry Me Young) Deze melancholie, al dan niet gespeeld, reeds verleden en het heden verlegen om meer papier. Waarom doe je je moeite? Maar misschien is het te doen en neuk ik je liefdevol in je hersenen, langzaam. Steek je ogen in me. Zou ik op mezelf lijken zo? Krijg je genoeg van me? Zeur ik, arrogant? Ben ik gemeen of zielig, kan het je wat schelen? Het is nu dinsdag in december, het sneeuwt en het is avond. Ik lieg maar wat dan nog? Je ziet de kerstboom bijna staan. Het gezin en de thee of het jonge, mooie, gelukkige koppel dicht tegen elkaar aan. Het is zo makkelijk ook al is het niet waar. Wordt je niet moe van me? Ik moet nu. Beslissing. Continuïteït. Angst. Onzekerheid, verlangen, een wrange smaak. Gelukkig staat die kerstboom er nog. Maak het eerste pakje maar open. Schrik niet…
3
"…………………."
Het regent. De zachte tikken op het zolderraam herinneren me aan andere ochtenden langer geleden. Mijn moeder was oprecht verbaasd toen we aan de deur stonden gisteren. Uit beleefdheid heb ik maar aangebeld. Ik heb de sleutel, maar het leek me een beetje onbeschoft om maar gewoon binnen te lopen met iemand die zij niet kende. Haar verbazing herinnerde me aan de blik in haar ogen toen ik de BMW voor het huis parkeerde en ik haar de sleutels overhandigde voor een proefrit. Niets vergeleken bij de schoteltjes die ze gisteren opzette. Ik denk dat ze niet verwacht had mij ooit nog eens gelukkig te zien. Achter me klonk een zacht gekreun. Alsof een zacht, klein dier wakker wordt. Als ik eens wist wat ze nu denkt.
"Ik heb over jou gedroomd."
En dan:
"Hey! Waar ben je?"
Een koude rilling gleed langs mijn rug en met twee stappen lag ik weer naast Lisa. Terwijl ik haar doodknuffel en overspoel onder kussen, vertelde ik haar over hoe deze kamer er vroeger uitzag. Met het kleine raam, de grote bank en de rode stoel. Tot mijn verbazing besefte ik dat dit herinneringen waren waarvoor ik moeite moest doen. Dat ik even door het raam naar de tuin en in de verte het bos en de weilanden moest kijken om de dag te zegenen.
"Mijn paus", lachte ze lief en ze drukte me tegen zich aan.
"Wat heb je dan gedroomd?"
Ik vond het meestal eng als mensen over mij dromen. Maar ik ben compleet gefascineerd als ze me erover vertellen.
"Die map waaruit je me gisteren hebt voorgelezen?"
"Ja?"
"Van wie is die?"
"Geen idee. Ik vond hem eergisteren op de wc van een wegrestaurant. Er staat ook geen naam in, geloof ik."
"Ik droomde over de schrijver van die map…"
"Wat droomde je dan?", vroeg ik, verbaasd.
"Ik droomde dat ik in bed lag, alleen, toen de deur van de slaapkamer openging en hij binnenkwam."
"Kende je hem?"
"Nee. Ik kon hem helemaal niet zien in het donker. Hij kwam naast me liggen in bed en begon me te aaien."
"Hmmm…..", gromde ik, terwijl ik haar borsten masseerde.
Een hand om mijn lul.
"Hij wil dat je iets doet…voor hem."
"Zei hij je dat?"
"Ja. Dat fluisterde hij in mijn oor en toen…"
"Ja?"
"Toen hebben we gevreeën.", ze zei het zachtjes; misschien bang dat ik kwaad zou worden.
"Hmgrr…Was het lekker?"
"Ja. Ik ben heel vaak klaargekomen."
Ik wist niet echt meer iets te zeggen. Ik wilde wel weten wat die droom-casanova van me wilde en waarom hij zo nodig mijn meisje moest neuken om het me te laten weten. Haar hand begon harder te kneden en te trekken en haar kussen werden lange halen van haar tong over mijn nek.
"Jij bent liever.", zei ze zachtjes en dook onder de dekens voor ontbijt.
Op het moment dat ik in haar mond klaarkwam, klopte mijn moeder op de deur. Een oude, goede gewoonte zorgde ervoor dat ik altijd consequent de deur achter me afsloot, met de duidelijke bedoeling dit soort momenten niet nog pijnlijker te maken.
"Ontbijt is klaar.", riep mijn moeder.
"Ik ook", fluisterde, hijgde ik.
Lisa likte haar lippen en zei:
"We komen zo, nog even deze jongeheer wakker maken."
Ik hoorde mijn moeder lachen terwijl ze naar beneden liep. Ik drukte Lisa hard tegen me aan. Haar neus prikte in mijn buik.
"Wat is er?", vroeg ze nadat ze zich had losgewurmd, zachtjes en mijn tranen had gezien.
"Ik hou van je."
Luister jij eigenlijk wel? Situaties veranderen en mensen veranderen van gedachten. Van het ene moment op het andere verandert een leegte in een pakhuis. Je kunt geen huizen bouwen met dit cement, onze woorden. Je zult moeten blijven smeren en repareren. Je kunt jezelf niet laten oplossen, lossnijden. Altijd zijn er ragfijne draden die om de polsen of enkels of nek gewikkeld zijn en een zekere doch beperkte rekwijdte hebben. Is het ethisch, moreel verantwoord om een 16-jarig meisje te willen bezitten? Van achteren?
From This One Cell Testify Hotel
This Life Is A Fuzz
I Can’t Breathe Through This Mess
Laat taal leven, even? Levende taal? Schepper? Waarom? En vooral hoe? Zijn het de woorden die onze wereld scheppen, het verhaal van de realiteit? Met de juiste woorden: magie? Alles wat ik wil. Jij kent me niet, nog steeds niet. Ik ken jou, ik ken haar, ik ken je moeder. Ze lijkt op de mijne. Maar ben ik God? Lijkt dit op…….. Scandinavisch kinderverhaal, amerikaanse pulp? Zing godverdomme! (round character?)
" Storm in the morning light"
"…….And surely that ain’t right"
De zenuwen begonnen zich te vertonen. Terwijl hij zachtjes wat teksten van Portishead meeneuriede, zong, liet de spiegel zien wat het publiek vanavond te zien zou krijgen. Michael Scarum, van de nederlandse electro-techno act Waterfall. De zaal was uitverkocht en Ned had hem aan de telefoon verteld dat de zaal smeekte om een tweede avond. Er stonden nog steeds mensen voor de deur om een kaartje te kopen. Zenuwen. Steve had vijf minuten geleden nog gebeld om er zeker van te zijn dat hij wakker was en klaar om te vertrekken. Lisa had de wekker gezet, voordat ze was vertrokken en daarom stond hij nu enigszins verkrampt, doch wakker zijn outfit te checken. Honderd procent tevreden was hij nog niet. Het was een beetje gewoontjes. Een zwarte zijden blouse, een zwart leren broek, zwarte cowboyhoed. Misschien vanavond maar eens compleet anders, dacht hij. Hij kon of helemaal in het wit gaan of helemaal in het blauw.
Hij trok zijn spijkerbroek en t-shirt aan en pakte zijn witte pak in. De tassen en apparatuur stonden klaar beneden. Nog 10 minuten. Even naar de plee. Dat zijn altijd van die momenten, dacht hij, waarop je het liefst de tijd stop zou willen zetten. Het gevoel van verwachting, gecombineerd met ontlasting schonk hem altijd een zeer bijzondere gemoedstoestand. Hij kon vanavond in zijn botten voelen. Anderhalf uur lang zouden ze spelen. Ned had ervoor gezorgd dat er een kort voorprogramma was. Een onbekende, plaatselijke band; hij wist de naam niet eens meer. Ned had iets gezegd over een rivier in India en een boom. Als het maar geen sitarmuziek was. Zijn rechterhand zocht en vond de papierrol en scheurde een stuk af. Dit vouwde hij dubbel en liet het tussen zijn billen door glijden. Alvorens het in de pot te laten vallen, keek hij naar het papier. Stront, dacht hij.
4
"In een verre toekomst"
Er is een tijd geweest dat ik me druk heb gemaakt over originaliteit. Dat ik bang was niet in staat te zijn iets te produceren dat nog nooit eerder in die vorm gegoten was. Dat is lang geleden. Ik voel de druk, die de verlossing gaat brengen. Diep van binnen zit er iets. Iets dat lang op zich heeft laten wachten. Het duwt nu. Het wil naar buiten. Onaangenaam is het niet, lichaamseigen wellicht ook niet; het is meer zoals een kind. Bekend, eigen en vreemd, "alien" is het engelse woord ervoor. De vrienden die ik dacht te hebben zijn vertrokken. Hebben hun lichamen nagelaten aan de kinderen. Aan de rotting. Ik ga ze nu snel achterna. Vroeger was ik bang dat ik misschien nooit de dingen zou doen die ik wilde doen. Het gevaar achterna, de grote liefde, de erkenning. En natuurlijk de produktie. Gelukkig kan ik zeggen dat ik geproduceerd heb. Ik ben een vlijtige bladluis geweest en heb geproduceerd. Ik ben gemolken. Moooh. "Cuz I feel it all fading", zong hij en ik zat door het raam van mijn tijdelijke woning te kijken naar een opening in het wolkendek, die late oktobermiddag. Te staren naar een klein vergeten stukje blauw in die grijze massa, terwijl mijn vingers over het toetsenbord raasden en mijn oren de muziek volgden op en neer, een heel leven, avontuurlijk en lang. En ik dacht aan haar. Wie ze was. Wie ze zou worden. En waarom ik haar had leren kennen. Ik denk dat ik verliefd was. Maar dat zijn van die dingen die achteraf niet zo heel veel uitmaken als je van binnen aan het duwen bent tegen jezelf. Niet vooruit te branden; niet weg te branden. Straling, zonne wind en wolken, wit en donker, kleurschakering. Alles had zo anders kunnen lopen. Ik had hier allang niet meer kunnen zijn. Ik was druk bezig die middag. Ik dacht na over wat originaliteit eigenlijk was en of ik niet eigenlijk kon doen en laten wat ik wilde. Hoe mijn vingers aanvoelden. Mijn linkerhand. De voorspelling die ik mezelf altijd deed dat ik waarschijnlijk rheuma zou krijgen. Ik wist het wel en het is ook zo. Ik had beter moeten opletten vroeger. Vaker handschoenen aandoen. and i never said i’d stay to the end De tranen biggelden in die dagen nog wel eens triviaal over de wangen. Het voelde leeg en het was eenzaam. Nu is het niet meer leeg. Het is zelfs te vol. Ik ben gelukkig geweest zonder dat ik het wist. Ik was jong. it’s coming apart again over and over and over Ik viel door de lucht, door het glas van het dak door het dak van je mond door de mond van je oog door het oog van de naald. Foto’s van vrienden en dagen die toen ver weg leken. Vergeleken met nu, waren dat slechts een paar maanden. Nu lijken het wel eeuwen. De veranderingen die bleven komen. De starheid die opeens in mij sloop, de verharding, het eelt op mijn ziel. De kaasgeur van een schimmelend brein. Ik experimenteerde vroeger veel. Ik heb altijd gehoopt dat het me bespaard zou blijven, het oud worden. Maar ik heb het goed gedaan zeggen ze me nu. Opa je kunt trots zijn, zeggen ze mijn valse kinderen. Nooit heb ik… ik heb ze verlaten. Stuk voor stuk. Er was er geen één bij die het begreep. Ook al zeiden ze van wel. Na verloop van tijd werden ze ongeduldig, ongedurig en dan was het bekeken. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt. Ik wilde ze niet. Het was er de wereld niet naar in mijn tijd. Hoe het nu gaat wil ik liever niet weten. Ik heb me teruggetrokken, ik hoef niet meer zo nodig te weten. Ik heb het allemaal gedaan. Ook het laatste. De laatste dagen van mijn vrienden. Doorgebracht zoals we het ons, toen deze ellende nog nieuw, jong en vers was, bedacht hadden. We hebben nog maar een keer geprobeerd deze wereld te vergeten en te doen alsof alles die bepaalde magische, mythische kwaliteit had. Onze heilige graal. De ark van ons verbond. Niet één is er religieus geworden. Ook niet tijdens de grote revival, vlak na de aankondiging van het WOW-signaal, zijn ze sceptisch gebleven. God zou zich niet verlagen tot FM-signalen. We waren goden ooit. Ook die middag probeerde ik het me te herinneren. Maar alles waar ik aan kon denken was dat ik misschien ooit hier zou zitten. Wat vreemd. Zou ik daar nog steeds zijn, op dit moment? Bestaat de tijd uit stilstaande fragmenten, als een 8 mm film, voor eeuwig in een moment gevangen. Duizenden orgasmes barsten los, tranen stromen over mijn duizenvoudige wangen en kilo’s voedsel en liters drank verdwijnen in mijn afgrond-mond. Het is een mooie troost te weten dat ergens verderop in de film de laatste ademtocht mijn keel verlaat, de gassen ontsnappen en ik de ogen voor de laatste maal opsla. Ik verwacht niet hemelwaarts te reizen richting een omnipotente, goede god en zijn oh zo fijne rijk met engelscharen. Ook niet naar beneden naar onze grote anti-held de duivel. Evenmin geloof ik dat ik opnieuw in vlees gevangen zal worden, dit tranendal andermaal te betreden. Mijn levensenergie raast gewoon tegen een blinde muur. De hersengolven slaan kapot op de breker van een eenzaam betonnen strand. Het onvoorstelbare niets. Ik heb gewacht op tekens, die ooit afgesproken zijn. Ik heb stoffen tot mij genomen om mij open te stellen. Slechts wolken drijven voorbij. Het is tijd voor mijn pijnstillers. Ik voel de wanden doorbuigen. Niet lang meer, dan is het kritieke punt bereikt. De toevoer van het soma, de voedende vloeibare substantie wordt ruwweg afgesloten door een orgaan gevoedt met dit sap. Een bizarre zelfmoord. Een zelfmoord-orgaan heeft zich aangekondigd en zal mij dienen tot de dood. Ik heb geprobeerd te begrijpen waarom dit leven het waard is geleefd te worden. Waarom mensen het anderen aandoen ze geboren te laten worden. Kijk dit ouwe opaatje eens in zijn stoel zitten huilen. De groeven in mijn gezicht zijn de waterwerken geworden die deze stormvloed moeten keren. De rimpels lopen vol als bassins. Vervuild water. Geen jong mooi gezicht, met zachte volle lippen om de tranen op te nemen, weg te kussen. Leerachtige huid schuurt over leerachtige huid, klauw over tronie. Die ogen die nat bleven en zoveel gezien hebben. Machientjes versleten. Niet lang meer. Niet lang meer. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Hoe oud ben je? Ik weet geen antwoord op deze vragen. Ik stel ze niet meer. Ik ben vergeten wat het nu allemaal precies inhoudt. Of er wel continuïteit is en of ik echt diegene ben die achter dat raam zat te staren naar wolken en de vogels zag vliegen. Is de aarde nog steeds rond? Foto’s zeg je? Nee. Heb ik niet meer. Ik kon niet meer blijven kijken naar dingen die ik verloren heb. Muziek heb ik wel nog. Soms kan, wil ik ernaar luisteren. Ik vind het niet makkelijk. Ik word soms zo sentimenteel. Dan zie ik gezichten in de kast en hoor ik stemmen in het haardvuur. Ze kennen me wel. Maar het zijn ze niet. Ik ken ze niet. Ik denk dat het door het geduw komt. Ik raak er soms van in de war. Dat weet ik wel. Ik heb toch nooit gevraagd om geboren te worden. Mama. Papa. Wie waren jullie? Waar zijn jullie? Hoe moet ik nu? Ik ben zo bang.
Het is bijna afgelopen.
Het is goed zo.
Doe je ogen maar dicht.
Ga maar lekker liggen.
Wij zijn bij je.
Wij allemaal.
We houden van je.
Het is goed.
Kalm maar.
Sssh…
Sshh…
5
"Hoe het goed kwam"
Of ik het bondig wil houden. Kort. De manager weet wat ‘ie wil. Archaïsch vraagt ‘ie. Eenheid van plaats, tijd en handeling. Ik heb ‘em gezegd dat ‘ie dood kan vallen. Ik doe het gewoon niet. Ze was erg lekker. Ik heb genoten. Zij ook. Maar dat heeft ze je verteld. Fijn dat we kunnen delen. Ik had het wel nodig. ‘S gezond zeggen ze. Maar vertel eens… hoe ging het? Hadden jullie een beetje een goed publiek? Waren ze enthousiast?
"Ja, het was fantastisch. We werden drie keer teruggeroepen. Sommigen waren echt uitzinnig!"
"En veel mooie jonge meisjes zeker?", vroeg ze met een pruillip.
"Erg veel snoepgoed", zei ik; "maar ik ben netjes overal afgebleven. Ik weet dat mijn snoepje het lekkerst is."
"Oh ja? Ga je je snoepje dan likken?", ze spreidde met haar wijs- en middelvinger haar lippen en liet haar klitje zien. Bij wijze van antwoord dook ik op haar af en likte haar, vingerde haar tot ze klaarkwam en ik haar vasthield.
"Heb je nog gedroomd over onze schrijver?"
"Hoezo?"
"Ik ben gewoon nieuwsgierig naar wat hij wil."
"Dat heeft hij me niet verteld. Maar hij zei dat je nog wel van hem zou horen. Ik vond het best wel eng."
"Het klinkt wel alsof het een erg levendige droom was.", zei ik geïrriteerd.
"Dat was het ook… Het was alsof ik hem kende. Alsof hij mijn broer was."
"Dus jij neukt je broer?"
"Als ik daar zin in zou hebben…"
Ontbijt.
Koffie, jus d’orange, eitje, toast, kaas, jam.
TV
TMF, the Box, MTV
Middagdutje
Geen sex
Winkelen
Albert Heijn, Bonuskaart
Avondeten
TV
Jointje, wijntje
Geen sex
slapen.
3 uur ‘s nachts.
De telefoon ging. Toch?
"Hallo?"
Stilte.
Oh… Vast gedroomd. Geen geluid… Er moet toch kiesto…
"Hoi. Ken je me nog?"
"Met wie spreek ik?", namen flitsten door zijn hoofd. Gezichten.
"Herken je mijn stem niet?", een vrouwenstem. Jong.
"Ik zou het zo niet weten. Met wie spreek ik? Wat wil je?"
"Het is al laat. Ik bel wel terug."
"Wacht. Niet ophangen."
"Nee, laat maar. Als je je mij toch niet kunt herinneren…"
Wacht.
Wacht maar tot het licht wordt. Voel de koude bijten in het vlees. Duik, kruip terug onder de dekens tegen het lichaam aan. Het warme slaaplichaam, verdwaald in dromen zonder telefoon, met een man zonder gezicht. De structuur allang verloren. Toch genoodzaakt dit tot het einde te volgen maken. Creëer deze droom. De lippen raken het wateroppervlak van de onderkant. Er kan niet geademd worden. Wacht tot het water bevriest. Het ijs breekt. De zon smelt. De aarde…
Ze werd wakker.
Hij was er niet. Ze had hem gemist. En nu was hij er niet de klootzak. Dan kon hij ook doodvallen. Wat was ze opeens kwaad. Ze kon zich niet inhouden en gooide de telefoon die op de rand van het bed stond op de vloer. Waar was hij. Tranen. Och arm meisje. Wie heeft jou zo verlaten? Wie wil er niet bij jou zijn en dat terwijl je net ontwaakt uit die ijskoude, eenzame droomwereld waar het enige bekende de angst is. Hij moest zich schamen. Je roept. Je roept nog eens. Je schreeuwt. Je huilt. De buren kunnen je horen. Maar in jouw wereld zijn er geen buren meer. In jouw wereld is alleen nog angst en verdriet. Eenzaamheid en pijn. Verlangen en verlatenheid. Waar ben je schat? Waarom heb je mij toch alleen gelaten. Je voelt je als toen je moeder en vader allebei kwaad op je waren en je naar bed stuurden en je er zeker van was, tussen je snakken naar lucht en snikken door, dat het nooit meer goed zou komen en dat je nu dood zou gaan en alleen. En god zou kwaad zijn en je bent een duivelskind. Pijn alleen kon de realisatie brengen. Het rode bloed, het zachte wondweefsel. De steken, de angst. De verandering van toon in je schreeuwen. Het angstige geroep van ouders. Het geloop in de gang het gebonk van schoenen op trappen. Het kloppen op de deur. Het smeken. Wordt wakker. Ik wil niet meer schreeuw je ik kan niet meer. Je krijgt nog net lucht. Ik wil liefde denk je, wil je. Er komt geen einde aan deze terreur. God vergeef me. Maar god heeft zich verscholen achter wolken en flitst er op los voor afleiding en het dondert buiten en de dag doet zijn naam eer aan. Een donderdagmiddag om tien voor vijf. Het lijkt het einde. En het is verwarrend. Je kunt het je niet meer herinneren en je ligt in bed. Angst. Wekker. Het is weer dag en de zon schijnt. Hoe kan dit. Ontbijt roept mama.
"Schatje, waar ben je?"
Geen schatje.
"Kut!", snotter, snif.
Op het kussen naast haar een briefje. Ik ben om 11 uur terug. Even een boodschap doen. Hij heeft nog nooit een boodschap gedaan. Ze besloot niet te wachten. Ze douchte zich. Ontbeet snel, raapte haar spullen bij elkaar en stapte in haar auto. Ze ging naar haar ouders. Ze voelde zich bedrogen. Ze bedroog hem elke nacht. Hij was nu bekend. Hij moest maar iemand anders zoeken. Naar zijn verhalen te beoordelen zou dat een fluitje van een cent zijn. Met zijn verhalen over de "snoepjes", zoals hij de jonge meisjes noemde, die op hem afkwamen. Dat hij zich maar rondvrat, zijn gebit naar de klote hielp met al dat suikergoed. Ze wenste hem aids, ze wenste hem een druiper. Met hoge snelheid vloog ze naar huis. Terug. Het was dan niet Oegstgeest, maar het was een reis van epische proporties voor haar. Terugkeer naar haar jeugd. Wie, waar was ze geweest de afgelopen maanden? Hoe had ze zich zo kunnen laten meeslepen? Wie was hij eigenlijk? Genoeg. Ze besloot om eerst langs de bloemist te gaan en even een vlaai bij de bakker te halen, zodat ze niet met lege handen bij haar ouders zou aankomen. God, ze betaalde met zijn geld. Ze reed in zijn auto. De realisatie deed haar huiveren. Ze had zich afhankelijk gemaakt. Dat had ze nooit gewild. Fuck it. Ze parkeerde de auto voor de deur van haar ouderlijk huis en stapte uit. Haar kleren, casual doch elegant, vielen los langs haar lichaam. Ze was mooi. Ze was een sexueel wezen. Wat een vreemde realisatie, vond ze, om te krijgen terwijl je aanbelt bij je ouders. Ze was wel vreemd. Geworden. Hij was wel lief. Dacht ze. Droomde ze nog? Haar moeder maakte open met een trui achterstevoren aan. Haar vader stond met een paard in de gang, ja ja een paard in de gang.
De wekker sloopte het tableau met de efficiëntie van een sloophamer.
"Schatje?"
"Ja?"
"Ik hou van je."
"Ik ook van jou."
Sex.
6
"Privacy"
De tralies voor mijn ramen zijn de tralies van mijn geest geworden. Het beangstigd me naar buiten te kijken, daar een wereld te aanschouwen die zijn dagelijkse gang gaat. Gewoon verder leeft alsof er niets aan de hand is en er een nieuwe dag klaarligt om geleefd te worden morgen. De ruimte die ik vul, met mijn licht. Met mijn zijn. Is groot. En omspant me niet meer. Ik ben gekrompen. De koude rolt over mijn lichaam, zoals de stemmen buiten de deur mijn oor in en uit glijden. Stemmen die spreken over dat leven. Dat normale veilige, vertrouwde leven. Verstoken van gedachten die de koude tot ijssplinters maakt, dwarrelend, schietend door een verduisterde hemel, zonder hoop op sterren of maan. De ingesloten gedachten laten zich niet naar buiten dwingen, netzomin als mijn blaas mij naar buiten dwingt. Gegenereerde emoties, dwangmatig, verzinnen vlekken, zwart en vluchtig voor mijn blikken. Ze creëren res extensa, denk ik. Voel. Nee. Cogitans. Ik twijfel. Maar ik ben mij niet zeker van iets. De pulp biedt geen troost. De filosoof, de wanhoper ook niet. Ik zou kunnen gaan. Mijn privacy opgeven en hopen op een goede afloop. Maar het zou slechts verval, zondeval, wedergeboorte betekenen wellicht. Waar ga ik mij verstoppen voor deze hervonden wreedheid der wereld? Het gesnurk in mijn slaap verraad mijn vermoeidheid. God laat de stemmen zwijgen. Ik kan niet blijven. Moet ik blijven. Ga heen. De oude man in zijn kamer over 49 jaar, hopend op een pijnloos einde. Klein kind, opgesloten na een ruzie in zijn te grote kamer. Alleen en angstig. We verlangen samen terug naar een geur. Een intieme geur, warmte, de enige echte privacy. Dat wat op de poorten van onze gesloten ogen bonkt wanneer het boek niet meer zichtbaar is en de spieren verslappen. Wanneer de stoffen vrijkomen die verlossing kunnen bieden. Dei Nous. De kracht om te leven en de planeet tot thuis te maken. Te accepteren dat dingen nu eenmaal zo lopen zoals ze nooit gepland zijn en al helemaal niet gewenst zijn. De ogen te strelen van degene die niet kijkt. Angstig vluchten voor ogen die per toeval kijken. Het binnendringen van sferen, gesloten kamers. Besprekingen. Vergaderingen. Gesprekken, liefkozingen. Binnendringen, storen. Interrumperen. Voor één keer iets zinnigs zeggen. Zover in de nesten gewerkt. Zo diep erin zitten. Geen uitweg. Verwarring chaos oiq32i m-=95dcuj2q9uqijemxiqcw09rcnu dingen gezegd die niet verwijzen naar zinvolle betekenisdragers. Hoe nu ver-der? Verantwoording af te leggen? Gedaan. Einde? Waarheen. Toch die laatste pilaar, dat privé moment, de laatste 12 of 17 seconden? De telefoon oppakken en de drie voice-mailtjes afluisteren? Terugbellen? Contact onderhouden…laten gaan. Eeuwigheid en mijn fundamentele beperktheid. Critici. Waar is mijn paard? Een koninkrijk voor een paard. Ik wil een paard om om de nek te kunnen vliegen, in een laat 19e eeuwse setting ergens in Turijn. Bespot en bespuugd worden door kleine kinderen. Hoe bepaal je. Wie bepaalt. Er wordt gepaald. Iedereen naait wel eens iemand. Gewoon voor de fun. Om te zien hoe ze reageren of om lof, eer van omstanders en toevallige passanten. Verdwijn. Angstig alcohol-gevoel, aangedikt met een wolkje witte kristallen tot rook verwerkt en geïnhaleerd.
7
"Ademnood"
Geloof me, als het makkelijker kon, deed ik me niet zo veel moeite. Als ik dit gevoel kon laten varen en de paniek van me af kon schudden als druppels uit mijn pels, deed ik het. Maar ik kan mezelf niet wijsmaken dat ik dit droom, dat ik dit verzin, of dat ik gek ben geworden en nu ergens vastgespijkerd op een kruis lig, met een dwangbuis aan in bed, psychose na psychose voorbij zien trekkend als grote wolken op een mooie, melancholische dag. Gewoon doorgaan. "Ze is nog steeds bij me, de platen verkopen. Ga nu niet…" Toch moet je… ik weet niet of… maar…dan toch anders. "Wat zei je?" Ik vroeg om ademruimte.
Ik had mijn telefoon laten liggen in dat huisje en was nooit meer teruggegaan om het onding op te halen. De mensen van wie ik gehuurd had, waren blijkbaar zo aardig en eerlijk geweest zich op lucratieve wijze te ontdoen van mijn verslavingsobject. Ik had niet eens de drie voice-mailtjes afgeluisterd die nog op mij wachtten. De omstandigheden die zich na mijn vlucht van de vlucht in mijn leven worstelden waren te overweldigend om me nog druk te kunnen maken over het triviale feit dat een of enkele personen een bericht voor mij hadden achtergelaten. Pompeus bijna. De arrogantie waarmee verwacht werd dat ik maar even antwoord had te geven op deze berichten. Natuurlijk had ik mij zelf ooit de moeite getroost dit fenomeen in gang te zetten en een bericht in te spreken voor mensen die mij wensten te bereiken, terwijl ik niet bereikt kon of wilde worden. Maar dat is water onder de brug. Zo moet je niet denken wil je vooruit komen. Toch?
Steve is eindelijk tevreden over mijn instelling en maakte laatst zelfs de opmerking dat ik wel veranderd leek in een wolf. Een geldgierige, op succes beluste, hongerige wolf. Dat leek mij enigszins overdreven, maar ik moet toegeven dat mijn angst voor de buitenwereld in grote mate afgenomen is. Ik kan me niet eens meer voorstellen gevlucht te zijn voor de aandacht van mensen in mijn naaste omgeving. Ik merk dat ik geniet nu, van de belangstelling van oude, verloren gewaande vrienden en bekenden. De media kruipt over mij, ons heen als een slang, glibberig, koud, maar mijn lul wordt er hard van.
Alleen Lisa… Het bevalt haar niet. Teveel concurrentie, te weinig aandacht. Altijd maar zeiken over aandacht, altijd maar zeuren. Nooit is het genoeg. Verwacht dat ik vertel, dat ik tijd met haar doorbreng. We slapen samen, we eten samen en we neuken nog minstens drie keer per week. Ze krijgt geld, kleren en kan bij elk concert backstage. Ik merkte laatst dat ze door mijn agenda had gebladerd. Ik vroeg haar wat ze zocht en of ze in het vervolg eerst even wilde vragen voordat ze door mijn persoonlijke spullen snuffelt. Ze blies het helemaal op. We kregen ruzie en spraken niet meer met elkaar.
Zeven maanden sinds we elkaar hebben leren kennen op Mark’s feestje. Best lang. Mark heb ik ook al lang niet meer gezien. Dat is ook best lelijk gelopen. Hij werd behoorlijk vervelend na een tijdje. Eerst was het nog wel leuk. Hij kwam af en toe bij ons eten, we gingen wel eens wandelen in Geldrop, als we bij Lisa haar ouders waren. Hij was ook bij alle optredens en stond meestal vooraan. Ik zorgde er vaak voor dat hij gratis naar binnen kon en dat hij backstage mocht. Maar op een gegeven moment begon hij het als vanzelfsprekend te zien dat hij gratis naar binnen kon en werd hij een keer hardhandig buiten de deur gezet toen hij bleef aandringen en zeuren. Al had ik gewild, ik had het niet kunnen voorkomen. Maar na een ruzie over hem met Steve besloot ik dat het inderdaad niet zo’n heel goed idee was als dit vaker zou gebeuren. Dus heb ik hem bij ons thuis uitgenodigd om het eens met hem erover te hebben, maar hij werd kwaad en schold Lisa uit.
Nadat ik hem eruit had gegooid kreeg ik van Lisa te horen dat ze wel wist waarom hij zo raar deed. Ze werd stil en liep van me vandaan. Terwijl ze voor de grote ramen naar de tuin stond te kijken, biechtte ze op dat ze vorig jaar wat met hem had gehad en ze vermoedde dat hij al langer zin had gehad om haar een keer uit te schelden. Het was niet waarschijnlijk dat hij het erg leuk vond dat zijn favoriete zanger ervandoor ging met zijn ex-vriendinnetje. Zo cool was Mark dus ook weer niet.
We zijn nu ongeveer zeven maanden bij elkaar. Vanmorgen zat ze op de bank naar buiten te kijken.
" We moeten praten."
Niet alweer.
"O.k., maar het moet wel snel, want ik heb weinig tijd. Vergadering met Steve om tien uur."
Ik stond met een boterham in de ene hand, koffie in de andere wat door de krant te neuzelen, zonder in de gaten te hebben welke ogen er op me gericht waren.
"Ik denk dat je die beter even af kunt bellen."
Dat was genoeg reden om op te kijken. Ik kan niet zeggen dat ik schrok toen ik dat gezicht zag. Ik heb dat soort gezichten wel vaker gezien en ik weet wat ze betekenen.
"Ik heb besloten dat ik voor een tijdje terug ga naar mijn ouders. Ik wil je graag uitleggen waarom en er zijn wat vragen die ik je wil stellen."
Ze keek me aan alsof ik haar alles had afgepakt waar ze ooit van had gehouden en alsof ze niet van plan was, dat onbestraft te laten. Ik begon erg nerveus te worden. Ik wilde wel vluchten, maar ik besefte dat dit meisje ervoor gezorgd had dat ik nu niet meer vluchtte. Ik moest Steve bellen. Ik…
" Wel? Denk je dat je daar tijd voor hebt? Of is dit de laatste keer dat we elkaar schema’s in de war sturen?!" , ze schreeuwde. Ik had haar nog nooit zo gehoord. Ik dacht: ‘dat zou een coole sample zijn’.
" Ik moet Steve even bellen. Geef me vijf minuten…Alsjeblieft?" , rustig, niet cynisch, niet gemeen. Oprecht.
Ik maakte de deur open en liep de gang in. De deur trok ik achter me dicht. Ik was bang. Ik kon niet vluchten… De trap nam ik in me op terwijl ik hem betrad. Alsof het de laatste keer zou zijn. Alsof er bovenaan een vuurpeleton op me stond te wachten en ik mijn ogen nog één keer intensief wilde gebruiken. Ik wist niet precies waar het over zou gaan zometeen. Maar ik besefte dat het hoe dan ook niet mooi zou worden. De deur naar het kantoor stond op een kier. Ik zag de telefoon al staan vanaf de overloop. Mijn vingers tintelden van anticipatie. Ik wilde niets vastpakken nu. Deze onthechting, deze ongeloofwaardige staat, dit surrealisme zou dadelijk verbroken, kapotgeslagen worden door het gevoel koud plastic aan te raken. Ik toetste het nummer. Ik sprak met afgemeten zinnen. Steve begreep. Dag. Succes. ‘Dank je’ durfde ik niet te zeggen, omdat ik bang was dat het heiligschennis zou zijn. Als ik onschuldig was had ik geen succes nodig. Maar was ik wel onschuldig… Ik begon echt bang te worden. Misschien had ik het gedroomd. Misschien zat ze daar nu niet maar lag ze nog in bed, naast me en word ik zometeen wakker met haar warme slaaplichaam tegen me aan. Maar de trap… maar de deur. Maar het gesnik… mijn gesnik
?
Nee… Haar gesnik kwam door de deur van de kamer. Ik zou haar niet mogen troosten; dat zag ik onmiddellijk. Het kussen dat ze met beide armen omknelde zou haar beschermen en mij afschermen van haar verdriet en tederheid. Geen kans dat ik dichtbij haar zou kunnen komen. Geen knuffel die deze nachtmerrie zou veranderen in een dag doorgebracht in bed met lichaamssappen, muziek, drugs en liefde. Niet vandaag.
Ze vroeg wat ik te zeggen had, op haar vragen over mijn liefde voor haar. De tijd die ik in haar stak, de uren die ik in haar nabijheid doorbracht. De meisjes die ik ontmoette na een optreden in de kleedkamer. De handtekeningen van een half uur tot een uur, voor kleine wellustige meisjes met korte t-shirtjes. Of ik nog wel geïnteresseerd was in wat haar boeide. Waarom ik nooit vroeg naar haar studie en waarom ze zich altijd naar mij moest richten en ik nooit eens een keer de moeite nam om het voor haar makkelijker te maken.
Ik wist niet wat ik ermee aan moest en wat ik er allemaal van vond.
Ik kan je niet helpen. Je zit daar en zegt niets. Ik weet niet wat je wil. Wat verwacht je van me. Je komt en vraagt en kijkt en rent weg. Wat wil je nu van me? Ik hoop dat je krijgt wat je wil. Zoniet moet je maar duidelijker zijn. Ik heb je nog veel meer te geven maar je moet er wel om kunnen vragen. Er wordt van hier af aan niets meer in de display gezet. De winkelruit is leeg. Maar de deur staat open. Geen sensor. Geen bel. Wagenwijd open. Kom binnen.
Ik krijg de creeps als je daar zo zit zonder te spreken. Zonder te kijken. Terwijl ik weet dat er onder die leegte zoveel moet zitten dat het onmogelijk is om de weckpot, de hermetisch afgesloten deuren op een kier te zetten, een fractie van een centimeter te openen omdat dan de hele stortvloed zou komen. Alles zou er in een keer uit komen. We zouden verdrinken in je verdriet. Je zou je schamen, je zou vluchten. Als je dat nog kon. Als dat er nog in zou zitten. De koude zakelijkheid beschermt je of schermt je af of maakt je te koud om doorbloeding toe te laten. God… Goede God… Wat als ooit de warmte komt?
De zon laat zich maar niet zien. En de zomer laat nog lang op zich wachten. De winter is aangebroken en je voelt je veilig. Je koude wordt warmgehouden door de verwarming. Ik kan je niet verwarmen. Deze draak is zijn hete adem kwijt. Mijn vlammen zijn niet van dezelfde orde als jouw hittereceptoren. Wij kunnen dit niet. Pas als… maar daar kunnen we niet op wachten dat is niet wat er voor ons in het verschiet ligt. En ik ga niet nog een keer deze rol op me nemen. De drakendoder heeft zich wederom aangemeld aan de ingang van mijn grot. Dat ‘ie maar wacht. Dat ‘ ie maar wacht tot zijn haren grijs zijn. Zijn oren doof, zijn ogen blind. Pas dan zal ik nogmaals mijn leger verlaten en mag de grijsaard zich op mij storten met zijn verroest zwaard. Dan pas zal ik nog een keer de trotse maagdenredder, Zork de maagdenspieser het hoofd bieden. Voor nu neem ik genoegen met de sletten en sloeries die mijn droombed bevolken, verwarmen en bevochtigen met hun geurige vlees. Wacht niet op mij drakendoder.
Ga als je niet kunt praten. Blijf als je wil. Het spijt me op voorhand. Ik ben niet perfect. Noch zou ik het willen zijn. Die illusies zijn voorbij. Ik lig comfortabeler te weten dat ik nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit………….
Sex…..for you…….
you should just kill yourself and make us all very happy………
go away……..
liar……
tellin everybody how well things are going while they’re this shitty…….
loser………..
liar…….
go
I don’t wanna be with you……how do you expect a girl to wanna be with you?
just fuck off dude…..dude book a flight to the sahara and stick your face in
in the sand……sleep tight….breathe all nite….
8
"Oceanen"
Zoals Travis in het openingsshot van "Paris, Texas", sta ik hier in de wildernis. Deze oceaan van zand. Dit barre onvruchtbare gedachtenlandschap is de enige plek waar ik nog kom, deze dagen. Ik wandel en loop en ren hier. Tot ik dorst krijg en naar mijn fles grijp op het bijzettafeltje naast mijn stoel. Wodka. In een emmer met wat ooit ijs moet zijn geweest.
‘ And this is how I know that no-one ever knows or loves another or loves another’
Ik zie schaduwen van spinnen langs de muren schieten, kruipen. Zwarte vlekken in mijn blikveld. Sterren die uit het niets verschijnen verblinden me. Ben ik te veel aan het drinken? Mijn hoofd voelt aan alsof ik een hersentumor heb ter grootte van een tennisbal of de tiet van een 15 jarig meisje. Ik voel de tepel in mijn voorhoofd steken. Alsof mijn derde oog open moet, opengeduwd wordt door deze mammale infestatie. Waar is de drank? Ik ben weer in slaap gevallen. De tweede fles staat gelukkig nog rechtop tussen mijn benen. Het enig wat daar nog overeind blijft.
Kut. Ik heb de verkeerde cd opgezet. Als ik dit nog lang blijf luisteren maak ik mezelf af. Ik verzin wel iets. Fles kapot slaan tegen tafel en overblijfselen in slagader rammen of dergelijks.
Ik stink. Meer drank. Maak me kapot. Ik kan iemand bellen. Ik kan zelfs een hoertje bellen. Ik heb geld zat. Ik kan Steve bellen.
Hey, met Steve
Hey Steve
Alles goed met je?
Het gaat…
Hoe is het nu afgelopen? Je hebt niks meer van je laten horen sinds……
Oh………..ja…….
Hebben jullie het goedgemaakt…….? Heb je drie dagen liggen neuken ofzo…..je klinkt zo suf..
Nee……Het is eh…..misgelopen……ze is weg
Kut man…….Hebben jullie wel nog gesproken sinds……..
Nee……Ze is bij haar ouders……enneh…..ik denk niet dat ze terugkomt voorlopig.
Moet ik langskomen? Wil je praten?
Nee……laat maar.
Michael…..gaat ie wel? Wat ben je aan het doen……wat heb je gedaan?
Nee……laat maar………
Michael……?
……..
Michael…..Bel je me als je iets nodig hebt……of wil praten?
……..
Michael?
Klik
Oh ja…..dat was alweer twee dagen geleden. Was het dan echt alweer vijf dagen geleden dat ze weg was gegaan? Ik wil nuchter worden. Ik wil weer bijkomen. Douchen…….
Slaap…..
De straat liep schuin af. De huizen, hoog aan de rechterkant, de auto’s links naast me geparkeerd. Het blikveld is beperkt tot de huizen, de stoep en de auto’s. Het is donker. Zoals ik me een druilerige ochtend in maart voorstel in Chicago. Behalve dan dat dit niet Chicago is, spreken de mensen hier geen Engels maar Nederlands en vallen de winkels in deze straat op door hun uiterst Hollandse vanzelfsprekendheid. Daar, ter hoogte van de boom aan de overkant van de straat zit iemand met zijn rug tegen de bumper van een auto. Het lijkt alsof deze man er al een eeuwigheid zit. Zijn gelatenheid, zijn berusting stralen van hem af. Naast hem hurkt er iemand neer en begint met hem te praten. Ze schijnen elkaar te kennen en misschien zijn ze zelfs vrienden. De hurker gaat naast de man zitten en ze kijken melancholiek voor zich uit. Dan komt aan mijn rechterzijde een meisje, nee, bij nader inzien een vrouw voorbijlopen. Ze is blond, heeft een hele dikke jas aan en ziet er erg ongelukkig uit, stoïcijns, gehard. Dan ziet de jongeman haar. Hij springt op en benadert haar. Ze kent hem zo te zien ook. Maar het lijkt erop dat het al erg lang geleden is dat ze elkaar gezien hebben. De jongeman is blij, je ziet zijn opgewondenheid, zijn geestdrift om vragen te stellen; om de verloren tijd in te halen. De wonden te verzorgen.
Het meisje wil er niets van weten. Ze kijkt gepijnigd en loopt door. Ze heeft hier geen tijd voor. Dit heeft geen zin. De man kwijnt weg tot hij weer op de stoeprand zit. Hij kijkt op naar het huis. De andere man staat naast hem en probeert hem op te trekken. Hem te laten staan. De vrouw is doorgelopen en gaat honderd meter verder een koffiehuis binnen. Plotsklaps staat de jongeman dan toch op en rent richting de deur waarin het meisje zojuist verdween.
Het interieur van het koffiehuis is simpel. Er is een soort toonbank waar geen krukken langs staan. Er staan wat tafeltjes en stoelen. Waar één man rustig koffie zit te drinken en naar buiten zit te kijken. Het valt op hoe klein het hier binnen is. Linksachter in het zaakje, op de hoek van de toonbank, blonde haren, engelengezicht.
Daar staat ze dan. Ze kan geen kant op. Van dichtbij ziet ze er toch ouder uit. Nog steeds mooi. Dikker, wel.
"Hoe is het met je? Is alles goed? Heb je alle dingen bereikt die je wilde bereiken?"
Nooit enige beheersing gekend.
"Ik ben zwanger"
De stoïcijnse geharde blik verdwijnt voor een moment in een grimas van pijn en de jongeman krimpt in elkaar.
"Hoe lang al?"
"Al een paar maanden"
Hij neemt haar hand, nee, zoekt naar haar hand. Maar vindt die niet. Hij verandert zijn toenadering en draait zijn handpalm naar boven en biedt deze aan. Ze legt haar hand in de zijne en de tranen beginnen langs haar wangen te stromen.
"Na mijn grote crisis…". begint ze en zwijgt in tranen.
Het beeld vervaagt en de man zit in de lege straat tegen de bumper van een autowrak. De hoge huizen zijn bouwvallen, afbraakpanden, verlaten. Hij schijnt wakker te worden. Echt wakker. De lucht is donker, het is niet nacht, er zijn geen wolken, maar het is alsof de lucht een muur is geworden die donkergrijs geverfd is. Zoals een gevangenismuur misschien. Hij kijkt om zich heen en beseft dat hij alleen is. Hij zit hier al tijden te wachten en te wachten voor een huis waar al jaren niemand meer in woont. Te wachten op een meisje dat lang geleden vertrokken is. Zijn enige gezelschap zijn de herinneringen en de dromen die hem vertellen dat hij hier moet blijven. Twijfel verschijnt in zijn ogen. Eén hand op de grond. Knieën buigen. Hij staat op. Nu is er hoop.
Bezweet, ziek, misselijk, hoofdpijn.
Ik haat katers. Ik kan er niet tegen. Misselijk worden van drank kan ik hebben; kotsen van drank ook. Maar ‘s ochtends wakker worden en nog steeds dronken en misselijk zijn, daar kan ik niet tegen. Het zweet dat langs je rug glijdt, de kloppende, pulserende pijn in mijn hoofd. De onvermijdelijke kotspartij waarbij de gal en de drank mijn keel branden en de warme walm mijn neus binnensluipt, de kotsimpuls oproepend. Verder, dieper rotzooi uit mijn lichaam winnend, convulsies, krampen. Ik word er bang van, doodsbang. Slaap kan verlichting bieden, maar pas als ik er zeker van ben dat ik niet nog een keer moet kotsen zodra ik mijn ogen dicht doe. Dat niet weer het universum begint te draaien als een plaat op achtenzeventig toeren.
De stoel eindelijk verlaten. Ik zat er in vast gekoekt. Het toilet was te ver weg geweest, de stank misselijkmakend. De douche deed goed. Ik heb er een uur onder gestaan. Langzaam kwam ik bij en dat zorgde ervoor dat ik nog een keer over mijn nek ging. Nog een keer onder de douche. Rillend op de douchevloer. Een scene uit een junkiefilm. Alcohol is één van de gevaarlijkste drugs. Harde dope.
Eten is gevaarlijk zo vroeg na het ontwaken, zo snel na het zwarte gat van de plee. Maar het moet. Samen met water is het de enige remedie voor de maag-hoofd connectie-malaise. Nooit meer drinken. Puur, water, zuiver. Met religieuze overtuiging. Te vaak. Ik moet hier weg. De kamer is zo’n puinhoop. Ik word agressief als ik drink en dan sneuvelt er glas. Ik wil verhuizen. Ik wil weg. Zo voelde ik me vorig jaar september ook.
Steve? Hi, met mij. Sorry dat ik je dit niet persoonlijk kan vertellen, maar je bent er niet dus… ik wilde je even vertellen dat ik de komende weken niet te bereiken ben. Ik ben van plan om te gaan reizen. Waarheen en hoelang weet ik nog niet, maar het ziet er naar uit dat ik voorlopig niet terug kom. Ik neem over een paar weken contact met je op, zodat we zaken kunnen bespreken. Ik wil graag het huis verkopen en ik wilde jou vragen of je even onze advocaat kunt bellen zodat hij het kan regelen? Daar zou je me een groot plezier mee doen. Alle spullen kunnen de opslag in. Ik heb je gemachtigd voor mijn rekening om hem en de verhuizers te betalen. Probeer geen contact op te nemen, alsjeblieft. Ik neem zelf contact met jou op binnenkort. Bedankt voor alles, man. Het ga je goed.
Ik nam het nog eens door in mijn hoofd. Hij zou het vast niet pikken. Zo zou ik het wel het liefste willen. Geen contact. Onzichtbaar. Veilig, vluchten. Maar waarheen dan nu weer. Ik word zo moe van al dat rennen. Elke keer weer opnieuw in mijn leven neem ik de benen. Ik heb erover geschreven, gezongen. Ik heb er zelfs wel eens met Lisa over gesproken. Ze begreep het wel, zei ze, maar waar wilde ik heen als ik overal geweest was? Geen idee, schat. Geen idee. De telefoon in mijn hand. Wie ging ik nu bellen…Steve? Lisa? Mijn vader? Geen idee waar die uithing tegenwoordig. Hij was weer verhuisd. Dat is het laatste wat ik van hem gehoord heb. Het zal wel. We hadden elkaar nooit zoveel te zeggen. Andere werelden. Maar wie deelde nu nog mijn wereld? Met wie kon ik nu nog contact maken. Steve was zo ver weg. Zo als het vroeger was, in het begin, dat is allemaal ook al lang voorbij. Zo is het al tijden niet meer. Mijn vrienden, laten we er maar geen woorden aan vuil maken. Die belediging wil ik ze besparen. De dejà vu begint langzaam om te slaan in irritatie. Te vaak heb ik deze gedachten door mijn hersenen laten flitsen. Ik kan naar een grote stad gaan en hopen dat mensen me herkennen. Ik kan Lisa bellen. Geen mogelijkheid een beslissing te maken. Geen duidelijk pad. Losgeslagen. Ronddobberend op een oceaan van twijfel. Schipbreukeling.
Ik loop rond in het bos, zoals ik hier zo vaak heb gelopen. Eenzaam, hopeloos. Het is nog best koud voor de tijd van het jaar en alleen mijn dikke trui beschermt me tegen de af en toe ijskoude wind. Dikke wolken vol regen komen aandrijven uit het oosten, aangalloperen als een horde wilde paarden, bereden door amazones, de gedachten die mij verlammen, prachtige sterke vrouwen, hun geslacht een wapen. Ik voel me verslagen. Weg is wederom vertrouwen. Weg is wederom liefde, geluk, genot, hoop, vrede, gemoedsrust. En nu komt het vluchten. Nu komt het verstoppen, de deur afsluiten, het geschreeuw van beneden aan de trap negeren, onder het bed. In het donker het einde der tijden afwachten.
De eerste druppel slaat mijn linkeroog dicht. Een dikke druppel, nat en vol. Een eerste tongzoen. Oceanen vol tranen. Het begint te huilen. Regen. De regen streelt de nieuwe bladeren, streelt het groen, het bruin en zwart. Het zachte zand wordt vol en zompig, wil begraven en ik sta hier. Mijn haren veranderen in pieken, vallen langs mijn gezicht in alweer te lange verhalen. Druipt langs mijn keel, mijn nek, langs mijn rug, borst, buik, tussen mijn billen en ballen, langs mijn benen mijn schoenen in. Ik ben nat. Mijn ogen zijn droog. Ik kan niet meer huilen. Er is geen reden meer tot verdriet.
Het is middag. In een bos. Het regent. Ik trek mijn kleren uit.
Jammer dat je niet luisterde.
Wat had je me te vertellen? Wat wilde je dan zeggen met je verwarde gedachtenbrei?! Welk bericht had ik eruit moeten distilleren? Welke boodschap?
Ik heb je willen waarschuwen. Ik ken je. Ik heb zulke dingen gedaan, keer op keer. Ik wilde je verdriet besparen. En anderen.
Dan heb je gefaald, lijkt me. Wie ben je? Waarom bemoei je je met mij?
Vragen, vragen. Te veel en te laat. Allemaal dingen die nu geen zin meer hebben. Misschien had ik je nooit mogen benaderen. Nooit mogen inbreken. Maar dat is wat ik nu eenmaal gedaan heb en wat ik niet meer kan veranderen en jij evenmin.
Wat lig ik hier te doen, huilend in het zand, in de regen? Waarom?
Er waren toch geen tranen meer? Geen verdriet. Ik wist het. Kon ik je maar helpen.
Help me dan. Als je god bent, als jij de verantwoording draagt, maak dan alles goed…alsjeblieft.
Ik kan niet. Niet meer. Ik ben geen god. Ik moet je verlaten. Je praat tegen jezelf. Eindelijk draai je door. Geheime wensen.
Maar zo kan ik niet eens sterven. Hoe…
Ik wou dat het anders kon. Trek je kleren aan. Ga naar huis. Het is voorbij.
9
"Gratie"
Orion hoog aan de hemel, de planeten reizen de maan achterna. Keer en keer opnieuw aanschouwen nieuwe mensenogen de rondedans.
Lisa zit tegen een boom, stil.
De beelden van de begrafenis liggen op haar netvlies. Het graf is een nachtelijke hemel, zij knielt in gedachten en kijkt erin. Ze opent haar ogen en kijkt. Ze ziet de sterren en de maan. Haar handen vouwen zich over haar buik. Daar slaapt hij.
De laatste dagen van de zomer. Tegen het donker van de nacht, vlak boven de horizon, onder de sterren, tekent zich het silhouet af van een kraanvogel, sierlijk zwevend in de richting van de Morgenster. Dankbaarheid vervult haar, dankbaar voor een leven dat nog mogelijkheden biedt, dat nog vol is van verwachting en hoop.
Steve had geen woorden, geen tranen. Wel een nieuw album, dat somberder klonk dan ooit. Het laatste nummer van het album, was, zoals Michael in de brief had gevraagd, een passage uit de map die hij gevonden had, voorgelezen door Lisa.
Groot succes.
En ik… Ik moet nu ook verder. Het is mooi geweest, de tijd die ik met jullie heb doorgebracht. Ik heb er geen spijt van, maar ik weet ook dat het heel anders had kunnen zijn. Dat ik meer voor jullie had kunnen betekenen. Vriendelijker en zachtaardiger. Eloquenter en meesterlijker. Was mijn kennis uitgebreider had ik de negen muzen voor jullie laten zingen, dansen, spelen… Maar zo zijn de dingen niet. Het valt mij zwaar afscheid te nemen, te weten dat er jaren aan jullie voeten liggen. Vergeten straks, al dit. Sommigen zullen roepen "te kort", "meer" of wellicht "zugabe", maar de tijd om daaraan gehoor te geven ontbreekt mij. Slechts tijd voor een gracieuze, nederige buiging naar alle kanten; eerbetoon. Geen encore.
03:33 am
Published 01-02-2000